(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Vaderlandsche Geschiedenis voor het Lager Onderwijs"

V-m 








- ^ v 



^t{ 



\£K 'f-.' 






VADERLANDSGHE GESCHIEDENIS 




VOOR HET 



LAGER ONDERWIJS. 
Met tal van vragen en opgaven tot verwerking der leerstof, 

DOOR 

T. PLUIM, 

Hoofd eener School te Baarn. 

MET VELE AFBEELDINGEN. 

ZESDE DRUK. 



P. NOORDHOFF. — 1906. - GRONINGEN. 



VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK. 



Heb ik in een ander werkje, „Merkwaardige Personen uit ons 
Verleden", de geschiedenis trachten dienstbaar te maken aan de 
z e d e 1 ij k e vorming van den leerling, thans zoek ik met de uitgave 
van dit boekske ook de verstandelijke ontwikkeling tot haar 
recht, te brengen. Als factor daarvoor heb ik een reeks van 
vragen en opgaven onmisbaar geacht, welke bovendien kunnen 
dienen, om de behandelde leerstof te verwerken. Als leerstof 
zelve trachtte ik de voornaamste gebeurtenissen onzer geschiedenis 
binnen het bereik van den leerling te brengen, door een eenvoudigen 
stijl met een duidelijke voorstelling der feiten te vereenigen. 

Bij het stellen der Vragen heb ik twee zaken in het oog ge- 
houden. Eensdeels heb ik de behandelde leerstof zooveel doenlijk 
uit een nieuw gezichtspunt zoeken te repeteeren, zoowel om haar 
te verduidelijken, als beter te doen beklijven, anderdeels trachtte 
ik den leerling op te wekken tot het vormen van een eigen 
oordeel, tot het „lezen lusschen de regels". Vooral dit laatste 
punt acht ik van niet weinig belang, temeer daar de geschiedenis 
zich daartoe bijzonder leent. De historie toch wordt geheel en 
al door oorzaak en gevolg beheerscht: het volgende moet nood- 
zakelijk uit het voorgaande voortvloeien, — en hierin juist ligt 
haar kracht om te ontwikkelen, om te leeren denken. 

Op die wijze behandeld, wordt de geschiedenis, en in het bij- 
zonder haar zoogenaamd „Overzicht" , geen bloot memorie-werk 
meer, dat maar al te vaak èn leerling èn onderwijzer tot last is. 
Door de zelfwerkzaamheid, waartoe ik den leerling tracht op te 
wekken, krijgt hij meer belangstelling in het anders vrij dorre, 
maar onontbeerlijke „geraamte" , en wordt het hem geen geringe 
voldoening, e"en of andere vraag door eigen nadenken op te 
lossen. Om voor den scholier de geschiedenis nog aantrekkelijker 
te maken, kan men ter afwisseling naast een bepaalde les een 
meer uitgebreide, boeiender episode lezen, die in het cadre van 
het „ Overzicht" niet op haar plaats zou zijn. Ik vlei mij, dat in 



dit opzicht mijn „Merkwaardige Personen", mede bij den Uitgever 
dezes verschenen, goede diensten kunnen bewijzen. Tot gemak 
van hen, die genoemd werkje willen aanschaffen, of reeds ge- 
bruiken, heb ik in den „inhoud" van het thans verschijnend 
boekske de overeenkomstige lessen aangegeven. 

Voor de practische wenken, die ik bij de bewerking van den 
heer H. J. Kruyder mocht ontvangen, betuig ik hem mijn open- 
lijken dank. 

En hiermede beveel ik ook dit werkje in de welwillendheid 
mijner medeonderwijzers aan. 



De tweede druk is op vele plaatsen gewijzigd en — naar 
ik hoop — verbeterd. Aan de beschavingsgeschiedenis is meer 
uitbreiding gegeven. 

Daar dit werkje voor sommige scholen te uitgebreid bleek, heb 
ik op veler verzoek een beknopter boekje „Kleine Vaderlandsche 
Geschiedenis" geschreven, dat zich eveneens in een gunstig onthaal 
mag verheugen en dat als voorlooper van dit werkje kan dienen. 



In den derden druk is de beschavingsgeschiedenis opnieuw 
uitgebreid; ook zijn er meer illustraties opgenomen, vooral met 
het oog op de kleederdrachten, die zich beter laten afbeelden dan 
beschrijven. Als vervolg op dit boekje is verschenen: „Kern der 
Vaderlandsche Geschiedenis", welk werkje op zijn beurt weer 
de voorlooper is van „'s Lands Historie". 



De vijfde druk is vermeerderd met eenige nieuwe afbeel- 
dingen, betrekking hebbende op de beschavingsgeschiedenis. 



De zesde druk is wel met zorg herzien, maar behoefde 
zoo goed als geen wijziging te ondergaan. 

Baarn, Maart 1906. T. Pluim. 



1. De oudste bewoners van ons land. 

Op de uitgestrekte heidevelden van Drente vindt men hier 
en daar groote steenblokken, die blijkbaar door menschen- 
handen tot hoopen op elkander gestapeld zijn. In deze hune- 
bedden, zooals zij heeten, heeft men bij het graven vreemde 
voorwerpen gevonden. Nu eens waren het aarden kruiken met 
asch gevuld, dan weer messen of bijlen, uit een harde steen- 




Een hunebed. 

soort vervaardigd. Voor hen, die zich met de geschiedenis 
van ons land bezighouden, hebben deze voorwerpen groote 
waarde, want het zijn de eenige overblijfsels, die de oudste 
bewoners van ons land hebben nagelaten. Wanneer en hoe 
lang deze menschen hier geleefd hebben en welken naam zij 



droegen, kan men niet meer bepalen. Wel staat vast, dat ze 
reeds vóór meer dan 2000 jaren in ons land woonden. Daar 
zij de schrijfkunst niet kenden, zijn wij van hun daden niets 
te weten gekomen. Alleen uit de gevonden voorwerpen heeft 
men een en ander omtrent hun levenswijze kunnen opmaken. 
Zij waren nog zeer ruw en onbeschaafd; dorpen of steden 




Strijd met den oeros. 
kenden zij niet. Hun woningen lagen verspreid en bestonden 
slechts uit holen in den grond of uit eenvoudige hutten. Met 
ijzer of andere metalen waren zij niet bekend : zij vervaardigden 
hun werktuigen enkel van steen. Hun kleeding was zoo een- 
voudig mogelijk; een dierenhuid, over de schouders geworpen 
en onder de kin vastgebonden, beschutte hen reeds voldoende 



tegen weer en wind. Op even eenvoudige wijze voorzagen zij 
zich van voedsel ; aan landbouw ten minste deden zij niet : 
zij leefden alleen van de jacht. Deze bood hun echter een 
groote verscheidenheid van wild aan; in de uitgestrekte bos- 
schen, die toen ons land bedekten, huisden tal van groote 
dieren, zooals oerossen en bisons, wolven en bruine beren, 
everzwijnen en herten. 

De oudste bewoners van ons land waren gewoon de lijken 
te verbranden. De asch werd in aarden kruiken of urnen ge- 
daan en met veel zorg onder de hunebedden bewaard. In 
streken, waar men zulke groote steenen niet vond, zooals op 




' \ 



Steenen zaag. 





Vaatwerk. 




Steenen bijl. Vaatwerk. 

de Vel uwe, wierp men een heuveltje op en zette daarin de 
urnen bij elkander. 

In dien tijd, ook wel het steenen tijdperk van onze 
geschiedenis geheeten, zag ons land er dus geheel anders uit 
dan tegenwoordig. Niet alleen waren de hooge gronden, gelijk 
we reeds zeiden, met groote wouden bedekt, maar ook de 
lage streken hadden een geheel ander voorkomen dan tegen- 
woordig. Daar er geen dijken bestonden, konden de rivieren 
en de zee het land vrij overstroomen. waardoor de lage gronden 



8 

toen veel op moerassen geleken en dus niet konden bebouwd 
worden. 

Wanneer en op welke wijze de oudste bewoners uit ons 
land zijn verdwenen, weten wij niet zeker. De hunebedden en 
de gevonden steenen voorwerpen zijn de eenige sporen, die 
zij van hun verblijf in deze streken hebben nagelaten. 

i. Waaruit weet ge, dat de oudste bewoners van ons land onbeschaafd 
waren? 

2. Hoe komt het, dat wij zoo weinig van hen weten? 

3. Hoe weet men, waar zij in ons land gewoond hebben? 

4. Waarom zouden zij alleen op de hooge zandstreken gewoond hebben ? 

5. Vertel iets van hun kleeding, woning, voedsel en werktuigen. 

6. De oudste bewoners waren een jagersvolk. Tracht eens te verklaren, 
waarom zulk een volk minder ontwikkeld is dan een volk, dat van 
den landbouw leeft. 

7. Waarom leven nu geen wilde dieren meer in ons land? 

8. Waarom kon in het steenen tijdperk hier geen landbouw worden uit- 
geoefend ? 

9. Waarin verschilde het voorkomen van ons land vóór 2000 jaren en nu? 



2. De Germanen. 

In overoude tijden woonde in Azië een volk, dat de Ger- 
manen heette. Zij waren in verschillende stammen verdeeld, 
die langzamerhand Europa binnentrokken. Vooral in het tegen- 
woordige Duitschland, dat naar hen den naam van Germanië 
ontving, en in Denemarken, Zweden en Noorwegen gingen 
de meesten hunner wonen. Enkele stammen vestigden zich 
later, omstreeks 100 jaar vóór Christus, ook in ons land. Zoo 
kwamen b.v. de Friezen in het noorden wonen, de Kanine- 
f a t e n in het westen, de Bataven tusschen Rijn en Waal 
en de Tubanten in Overijsel. 

Hoewel de Germanen nog vrij onbeschaafd konden heeten, 
waren zij de eerste bewoners al verre vooruit. Zij kenden reeds 
het ijzer en behoefden dus hun werktuigen en wapenen niet 
enkel meer van steen te maken. Ook was het lage land niet 
zoo moerassig meer, zoodat op de vette kleigronden reeds 
landbouw en veeteelt werden uitgeoefend. Het voedsel der 



Germanen bestond dan ook niet alleen meer uit het vleesch 
van de dieren, op de jacht gevangen; immers de landbouw 
leverde o. a. gerst, waarvan brood en pap werden bereid, en 
de veeteelt verschafte vleesch, melk, boter en kaas. Hun 
kleeding vertoonde echter nog weinig verschil met die der 
oudste bewoners ; de Germaansche mannen ten minste droegen 
meestal nog een dierenhuid. Alleen de vrouwen hadden ge- 
woonlijk een grof linnen kleedje aan, dat zij zelve door spinnen 
en weven wisten te vervaardigen. Ook waren reeds enkele 
versierselen in gebruik, zooals koperen en gouden ringen, die 
men om arm of been droeg. 

Niet altijd leefden de Germaansche stammen rustig en vreed- 
zaam naast elkander; dikwijls Braken er oorlogen uit en 
daarom werd de jonge Germaan reeds van kinds af tot een 
krijgsman gevormd. Hij moest zich tegen de koude harden, 
met pijl en boog leeren schieten en zich oefenen in het paard- 
rijden. Ook in de zwemkunst bracht hij het ver ; met het grootste 
gemak kon hij gewapend over den breedsten stroom zwemmen, 
hetgeen bij het ontbreken van bruggen van groot belang was. 
En brak er dan een oorlog uit, dan streed hij met de grootste 
dapperheid; het was voor hem een hooge eer, in den krijg 
te sneuvelen. Den krijgsgevangenen wachtte een treurig lot : 
zij werden als slaven tot harden arbeid gedwongen. 

In vredestijd ging de Germaan op de jacht en ter visch- 
vangst, of vermaakte hij zich met het dobbelspel. Van dit laatste 
vooral was hij een hartstochtelijk liefhebber; hij was er zóó 
aan verslaafd, dat hij vaak have en goed, vrouw en kind, ja 
zelfs zijn vrijheid verdobbelde. Daarbij werd het gerstenat niet 
gespaard, want bier was de geliefkoosde drank der Germanen. 
Het werd door de vrouwen bereid, die met de slaven ook voor 
den overigen arbeid moesten zorgen, zooals het bebouwen van 
het land, het fijn wrijven der graankorrels tusschen twee steenen, 
het bakken van brood, het bereiden van aardewerk, enz. Iedere 
arbeid toch was den vrijen Germaan onwaardig. 

De woningen der Germanen waren zeer eenvoudig ingericht; 



IO 

zij werden op hoogten of terpen gebouwd en van riet of stroo 
gemaakt, dat met klei bestreken werd. Dezelfde opening diende 
voor schoorsteen, deur en venster tegelijk. Een ruwe houten 
tafel en een paar even eenvoudige banken waren de voornaamste 
meubels. Rondom de woning lagen de weilanden, waarin koeien, 
paarden en schapen graasden, welke eveneens aan de zorg van 
de vrouwen en de slaven werden toevertrouwd. 

De Germanen waren heidenen. Hun goden vereerden zij in 
heilige bosschen, die nooit gekapt mochten worden. Bij elke 
gewichtige omstandigheid riepen de priesters de mannen bijeen 
en in de stilte van den nacht werden de godsdienstoefeningen 
gehouden. Men offerde daarbij gewoonlijk een of ander dier; 
dikwijls, als men de goden vertoornd waande, zelfs ook men- 
schen. Wie in den strijd sneuvelde of zich door moedige daden 
onderscheidde, zou na den dood in Walhalla uit de schedels 
der verslagen vijanden het geliefkoosde bier mogen drinken. 
De lijken werden soms begraven, soms ook nog verbrand ; het 
kwam hierbij dikwijls voor, dat de vrouw en de dienstboden 
den overledene vrijwillig in den dood volgden als een bewijs 
van trouw en vereering. 

De Germanen waren trotsch op hun vrijheid; de meeste 
stammen hadden dan ook geen vorsten. Slechts als er een 
oorlog uitbrak, koos men den dapperste en aanzienlijkste tot 
aanvoerder, die dan op een schild door het leger werd rond- 
gedragen. Zij streden met pijl en boog, bijlen, werpspiesen en 
knotsen; zwaarden kwamen eerst later in gebruik. Om zich 
eenigszins te beschutten, droegen zij op den linkerarm een 
schild, meestal van hout of teenen gemaakt en met een ossen- 
huid overtrokken. Bij het begin van den strijd werden wilde 
kreten en krijgszangen aangeheven, begeleid door het getoet op 
ossenhorens en het gekletter der wapenen. Dit geschiedde, om 
elkanders moed aan te vuren en om tevens den vijand schrik 
aan te jagen. 

i. Welke Germaansche stammen kent ge, en waar woonden zij V 
2. Waarin vooral waren zij hun voorgangers vooruit? 



II 

3. Welke deugden en welke gebreken hadden zij? 

4. Wat maakten zij van hun landbouwgewassen? 

5. Waarom was bij de Germanen de zwemkunst van groot belang? 

6. Waarom bouwde men de woningen op hoogten, en waarom bestreek 
men ze met klei? 

7. Noem eens iets op, waaruit de Germanen meenden te moeten be- 
sluiten, dat de toorn der Goden was opgewekt. 

8. Waarin verschilde hun wijze van oorlogvoeren van de tegenwoordige? 

9. Wat weet ge van hun woning, kleeding, voedsel, bezigheden en 
vermaken ? 

10. Hoe verkreeg men slaven? 



3. De Romeinen. 

De Germanen hadden hier ongeveer een halve eeuw gewoond, 
toen zij in aanraking kwamen met een ander volk, waarvan zij 
veel zouden leeren. Het waren de Romeinen, die in Italië 
woonden en destijds een groot deel van Europa, Azië en Afrika 
hadden veroverd en dus zeer machtig waren. Hun zegevierende 
legers bereikten omstreeks 50 j. v. C. ook deze gewesten en 
brachten de Germaansche bewoners binnen korten tijd tot 
onderwerping. Sommige stammen werden volkomen onder- 
worpen; met andere, zooals met de Bataven, werden verbonden 
van vriendschap gesloten. Toch was het een vriendschap, die het 
vrijheidlievende volk duur te staan kwam. De Bataven moesten 
den wereldveroveraars jaarlijks tal van jongelingen leveren, 
om hen op hun krijgstochten te vergezellen. 

Eenigen tijd ging alles goed ; de Bataven waren in de Romein- 
sche legers om hun dapperheid en zwemkunst zeer gezien. 
Maar weldra namen de valsche bondgenooten veel meer, dan 
hun toekwam en wekten daardoor den haat der Bataven op. 
Ten laatste vereenigden dezen zich met andere stammen, en 
onder aanvoering van den dapperen Claudius Civilis behaalden 
zij menige overwinning op de verdrukkers. Wel kon de moedige 
Bataaf zijn volk niet geheel vrij maken, maar hij wist bij den 
vrede toch te verkrijgen, dat het oude verbond weer vernieuwd 
werd (70 j. n. C). 

Ook de Friezen waren reeds vroeger om dezelfde redenen 
opgestaan en ook zij behaalden, hoewel na langer strijd, gelijke 



12 

voordeden. Van toen af waagden de Romeinen het niet meer, 
het gesloten verbond te schenden, en rust en vrede keerden in 
het land terug. 

Al was dus de komst der Romeinen voor de Germanen een 
bron van leed en tegenspoed geweest, toch hadden de bewoners 
van deze landen aan den anderen kant ook reden tot tevreden- 
heid. De Romeinen immers waren reeds zeer beschaafd en be- 
oefenden ijverig kunsten en wetenschappen; zij hebben dan ook 
in hun geschriften veel over de Germanen medegedeeld, dat 
wij anders nooit waren te weten gekomen. Van zulk een ont- 
wikkeld volk konden dus de bewoners dezer landen veel leeren. 
Er werden dan ook wegen aangelegd, dijken opgeworpen, 
kanalen gegraven en betere huizen gebouwd. Van de Romeinen 
namen de Germanen ook doelmatiger landbouwwerktuigen over 
en leerden van hen nieuwe gewassen kennen, als haver en 
tarwe, terwijl ook appel- en pereboomen ingevoerd werden. 
Verder stichtten de Romeinen hier verscheidene sterkten, die de 
oorsprong werden van latere steden, zooals Wijk-bij-Duurstede, 
Utrecht, Tiel en Nijmegen. Ook de handel werd door dit alles 
zeer bevorderd, zoodat de Germanen vele zaken konden ver- 
krijgen, die zij vroeger hadden moeten missen. 

i. Waarom weten wij van de Germanen meer dan van hun voorgangers? 

2. Wat weet ge van de Romeinen? 

3. Waarom stonden de Bataven tegen hen op? 

4. Hoe verkreeg Claudius Civilis een vrij talrijk leger? 

5. Wat was de uitslag van dezen strijd? 

6. Welke gevolgen heeft de opstand gehad? 

7. Noem eens het een en ander op, dat de Germanen van hun veroveraars 
geleerd hebben. 

8. Waarom zouden de Romeinen sterkten gebouwd en wegen aangelegd 
hebben? 

9. Welke steden hebben daaraan haar ontstaan te danken en wat weet ge van 
de ligging dier plaatsen? 

4. Friezen, Saksers en Franken. 

Langzamerhand kreeg het groote Romeinsche rijk vele ge- 
duchte vijanden, die het met goed gevolg aanvielen. Immers 
de eens zoo machtige Romeinen hadden met hun oude zeden 



13 

en gewoonten ook hun moed en kracht verloren; door de 
groote schatten, die zij overal buit hadden gemaakt, waren zij tot 
allerlei ondeugden vervallen. Toen zij nu door hun vijanden 
in Italië bedreigd werden, moesten zij hun legers voor het 
grootste deel uit de veroverde landstreken terugtrekken, om 
hun eigen land te verdedigen. Zoo kwam het, dat zij weldra 
de meeste wingewesten verliezen moesten. 

Ook de Germanen wisten de Romeinen uit hun land te 
verdrijven. Om des te sterker te zijn, sloten vele Germaansche 
stammen zich door een verbond nauw aaneen en namen dan 
meestal een gemeenschappelijken naam aan. Twee van die 
verbonden volken deden uit Germanië in ons land invallen 
en verdreven ten slotte hier de Romeinen. Het eene verbonden 
volk heette de Saksers, die zich in het oosten van ons land 
vestigden, terwijl het andere volk, de Franken, het land ten 
zuiden van den Rijn vermeesterde. Van de vroeger genoemde 
stammen bleven hier alleen de Friezen hun ouden naam 
behouden. De Bataven sloten zich bij de Franken aan, zoodat 
hun naam sedert dien tijd verdwijnt. 

Na 500 werd ons land dus bewoond door drie stammen : 
Friezen, Saksers en Franken, die door gewoonten en uitspraak 
van elkander verschilden. De Friezen hadden hun gebied nog 
verder uitgebreid en bewoonden nu de kusten der Noordzee 
tot in Zeeland; de Saksers vond men in het Oosten en op de 
Veluwe, terwijl de Franken het Zuiden van ons land in bezit 
hadden. Voortdurend vergrootten de laatsten hun gebied; zij 
veroverden onder hun dappere koningen het tegenwoordige 
België, Frankrijk en een deel van Duitschland. Later onder- 
wierpen zij ook de Friezen en Saksers, gelijk wij in een der 
volgende lessen zullen hooren. Friezen, Franken en Saksers 
zijn onze eigenlijke voorouders. 

1. Wat was de oorzaak, dat het Romeinsche Rijk achteruitging? 

2. Waarom verlieten de Romeinen deze gewesten ? 

3. Welke verbonden van Germaansche stammen kwamen in ons land'? 

4. Waardoor verdween de naam van Bataven? 

5. Bij welk verbond sloten zich de Tubanten aan? 



14 

6. Waar woonden voortaan de Friezen'? 

7. Van welken stam zijn de Noord-Hollanders, van welken de Noord- 
Brabanters en van welken de bewoners van Overijsel? 

8. Welke stam werd het machtigst? Waaruit blijkt dat? 



5. De invoering van het Christendom. 

De eerste Christenen stonden langen tijd aan vele vervol- 
gingen bloot; vooral de machtige Romeinsche keizers verdruk- 
ten hen in den beginne op allerlei wijzen. Dit werd gelukkig 
anders, toen eindelijk keizer Constantijn zelf tot het Christendom 
overging en alle pogingen in het werk stelde, om de Christelijke 
leer in zijn landen te verbreiden. De Franken kwamen in het 
zuiden van hun rijk weldra onder den beschavenden invloed 
der Romeinen, die daar nog enkele landstreken in bezit hadden. 
Zoo namen zij van hen de taal en den Christelijken godsdienst 
aan ; hun ruwe zeden werden daardoor langzamerhand verzacht. 

De eerste koning der Franken, welke tot het Christendom 
overging, was Clovis, die het laatste overblijfsel der Romeinsche 
krijgsmacht in Frankrijk vernietigde (500). 

Onder de Franken stonden weldra vrome mannen op, die 
het evangelie ook aan de heidensche Friezen en Saksers 
kwamen verkondigen. Deze beide volksstammen echter wilden 
er niets van weten; zij waren te sterk aan den godsdienst 
hunner voorvaderen gehecht. Bovendien vreesden zij, dat zij 
met hun overgang tot het Christendom ook hun vrijheid 
moesten verliezen, en die was hun boven alles dierbaar. 

Evenmin als de Frankische, hadden ook de Engelsche zende- 
lingen in deze landen veel voldoening van hun werk ; zij moesten 
met groote bezwaren en tegenspoeden kampen en liepen telkens 
gevaar hun leven door de vijandig gezinde bevolking te ver- 
liezen. Wel kwamen de Frankische koningen nu en dan met 
een leger opdagen en dwongen de Friezen en Saksers de 
prediking toe te laten en zich te bekeeren, maar nauwelijks was 
de koning weg, of zij vielen den nieuwen godsdienst weer af. 

Toch werd in 630 te Utrecht reeds de eerste Christenkerk 



i5 

gesticht, die echter 50 jaren later door den Frieschen koning 
Radbod weer verbrand werd. Niettemin verrees er spoedig 
weder een nieuwe voor in de plaats, terwijl de Engelsche 
zendeling Willebrord in 695 tot eersten bisschop van Utrecht 
benoemd werd. 

Een andere evangelieprediker uit Engeland, Winfried of 
Bonifacius geheeten, heeft ook veel tot de verbreiding van het 
Christendom bijgedragen. Hij was tot bisschop der Duitschers 
benoemd en nam na Willebrords dood ook het bestuur over 
de kerk te Utrecht waar; met verscheidene zijner volgelingen 
werd hij bij Dokkum door de Friezen vermoord (755). 

1. Waardoor kwam er onder de Franken langzamerhand meer beschaving? 

2. Zeg eens, waarom Clovis zulk een merkwaardig vorst was. 

3. Uit welke landen kwamen hier evangelie-predikers'? 

4. Vertel eens, waarom de Friezen en de Saksers zich niet wilden bekeeren. 
. 5. Hoe trachtten de Frankische koningen hen toch tot Christenen te maken? 

6. De eerste Christenkerk werd te Utrecht gesticht, waarom b.v. niet 
ergens in Friesland? 

7. Waaruit blijkt, dat "men nog lang den Christelijken godsdienst vijandig 
bleef? 



6. Karel de Groote (768 814). 

De machtigste en beroemdste koning der Franken is Karel 
de Groote, die in 768 de regeering over het reeds vrij uitge- 
strekte gebied aanvaardde. Door zijn vele veroveringen breidde 
hij de grenzen van zijn rijk nog voortdurend uit, zoodat hij ten 
laatste over een gebied regeerde, dat zich van den Ebro tot de 
Noordzee en van Hongarije tot den Atlantischen Oceaan uit- 
strekte. Hij wa's het ook, die de zoolang weerspannige Friezen 
en Saksers voor goed onderwierp en daardoor hun landen tot 
een deel van het Frankische rijk maakte. Het was Karels 
doel, al de Germaansche stammen tot één volk te vereenigen 
en hen te verbinden door één godsdienst : het Christendom. 

Doch niet alleen op uitbreiding van zijn gebied was Karel 
bedacht, hij trachtte ook zijn onderdanen te beschaven en te 
verlichten. Hij voerde overal den Christelijken godsdienst in en 
stichtte tal van scholen en kerken, om het volk te ontwikkelen. 



i6 

Zelfs de armste kinderen mochten aan het onderwijs deelnemen; 
want bekwaamheid en kennis golden bij hem meer dan hooge 
afkomst. De geleerdste mannen van zijn tijd riep hij aan zijn 
hof, om met hen te overleggen, hoe hij zijn volk op de beste 
wijze kon beschaven. 

Ook de welvaart bevorderde hij krachtig: hij liet vele wegen 
aanleggen, kanalen graven, dijken opwerpen en nieuwe ge- 
wassen invoeren, waardoor handel en landbouw weldra begon- 
nen te bloeien. Bovendien vaardigde hij tot grooter veiligheid 
zijner onderdanen vele wetten uit en stelde overal rechters aan, 
die voor de naleving zijner besluiten moesten zorgen. Ook de 
nijverheid begon te ontluiken; het Friesche laken b.v. was 
reeds zeer gezocht en alom beroemd. Karel wilde dan ook alleen 
dit laken dragen, en om het nog meer bekend te doen worden, 
gaf hij dikwijls aan vreemde vorsten geheele stukken 'ten ge- 
schenke. Nijmegen, waar de Koning zijn geliefd kasteel — het 
Valkenhof — had, Tiel, Utrecht, Deventer en Stavoren waren 
reeds belangrijke koopsteden. Men dreef er een drukken handel 
in binnenlandsche waren, als : boter en kaas, meekrap en laken, 
terwijl er uit het Noorden pelzen en graan werden aangevoerd. 
Toch hadden die plaatsen op lange na niet het nette voorkomen 
van heden; bijna alle huizen werden nog van hout gemaakt 
en met stroo of riet gedekt, en de ongeplaveide straten geleken 
bij nat weder veel op modderpoelen. 

Dat Karel door zijn verstandig en weldadig bestuur de liefde 
zijner onderdanen verwierf, laat zich denken; de keizerskroon, 
die de Paus hem uit erkentelijkheid voor zijn groote verdiensten 
in 800 opzette, was hij dan ook ten volle waardig. In de hoofd- 
kerk te Aken werd hij in 814 begraven; het korte grafschrift 
„Aan Karel den Grooten" drukt meer uit dan een lange lofrede. 

1. Hoe weet ge, dat Karel de Groote zijn doel, om al de Germaansche 
stammen tot één volk te maken, niet bereikt heeft'? (Denk om de 
tweede les!) 

2. Ga eens na, wat hij voor de ontwikkeling zijner onderdanen deed. 

3. Hoe maakte Karel de wegen veiliger en welk gevolg zou dit voor 
den handel gehad hebben? 

4. Vertel eens, hoe hij de nijverheid bevorderde. 



17 

5. Welke koopsteden kent ge reeds uit dien tijd? 

6. Hoe zagen die steden er uit? 

7. Welke tegenwoordige staten van Europa behoorden tot het rijk van 
Karel den Grooten? 

8. Hoe wilde Karel de verschillende volken verbinden? 

9. Welke onderscheiding viel hem te beurt? 
10. Hoe lang heeft hij geregeerd? 



7. Het leenstelsel. 

Wanneer de Franken een nieuw gewest veroverd hadden, 
lieten zij de bewoners hun grond behouden. Toch bleef er voor 
de overwinnaars nog genoeg land over, want in die tijden waren 
vele streken onbewoond. Deze grond nu kwam in het bezit van 
den koning der Franken, die vaak geheele stukken daarvan in 
vollen eigendom aan zijn edellieden schonk, ten einde hen voor 
hun bewezen diensten te beloonen. Hierdoor ontstond de v r ij e 
adel. Later echter, en vooral sedert Karel den Grooten, gaf 
de koning van- de veroverde gewesten de stukken gronds 
slechts voor een bepaalden tijd aan zijn edellieden in leen. 
Deze edelen, die leenmannen genoemd werden, mochten dan 
hun stuk land volgens de wetten des rijks regeeren en een deel 
der inkomsten voor zich zelven behouden. Zij moesten echter 
bij eede beloven, den vorst, zoo dikwijls hij hun hulp noodig 
had, bij te staan. Zoo waren zij b.v. verplicht hem g~eld te 
verschaffen en hem in den oorlog met een vastgesteld getal 
soldaten te volgen. Omgekeerd stond de leenheer, zooals 
de vorst heette, zijn leenmannen bij, wanneer dezen op hun beurt 
door een vijand werden aangevallen. Vooral dit voorrecht stel- 
den de leenmannen op prijs; het gebeurde dan ook dikwijls, 
dat vrije edelen hun bezittingen aan den vorst afstonden, om 
ze als leenen terug te ontvangen. 

Bij dit alles bleven de leenmannen afhankelijk van hun vorst ; 
hij kon, wanneer het hem goeddacht, hun het leen weer ont- 
nemen, iets, wat zeker gebeurde, als de leenman zijn eed van 
trouw had geschonden. Toen echter onder Karels opvolgers 
vele zwakke en onbeduidende vorsten aan de regeering kwa- 
pluim, Vaderlandse he Geschiedenis, 6e druk. 2 



i8 

men, werden de leenmannen minder onderdanig; ja, ten laatste 
begonnen zij zoo overmoedig te worden, dat zij zich vaak niet 
meer om den leenheer bekommerden en alles, wat de vorst 
hun eerst als een gunst had geschonken, ten slotte als een 
recht beschouwden. De opbrengsten van het leen b.v. behiel- 
den zij geheel voor zich, en zij lieten hun kinderen opvolgen, 
alsof dit vanzelf zoo sprak. Zij hadden menschen ïn hun dienst, 
waarover zij volkomen meester waren en die vrijwel met de 
huisdieren gelijk werden gesteld. Deze ongelukkigen, die 1 ij f- 
eigenen heetten, genoten niet de minste vrijheid; zij moesten 
dag aan dag hard werken, zonder de vruchten van hun arbeid 
te plukken. Hun heer kon hen aan anderen verkoopen of hen 
ongestraft mishandelen. Zij woonden in ellendige hutten, die 
rondom het kasteel van den edelman stonden, en kregen ter- 
nauwernood voldoend voedsel. Zij waren kenbaar aan hun kort 
geknipte haren en den ijzeren ring om den hals. Bezittingen 
konden of mochten zij niet verwerven, zoodat zij nooit vooruit 
konden komen. 

Een beter lot hadden de hofhoorigen: deze menschen 
woonden en werkten wel op een hof of hoeve (d. i. een stuk 
land met huis) van een edelman, maar toch waren zij persoon- 
lijk vrij ; hen mocht dus de landheer niet verkoopen of mis- 
handelen. Evenwel genoten zij geen volkomen vrijheid : zij be- 
hoorden tot den grond, waarop zij leefden, en mochten dien 
dus niet verlaten, om elders te gaan wonen. Ook moesten zij 
verscheidene dagen in het jaar voor den landheer werken, om 
daarmee als het ware hun landpacht af te doen. Van hetgeen 
zij door landbouw of veeteelt verkregen, moesten zij bovendien 
het tiende deel aan hun heer opbrengen; het overige mochten 
zij zelf behouden. Waren zij dus arbeidzaam en liep het hun 
mede, dan konden zij zich eindelijk vrijkoopen. 

Geheel vrije lieden waren de vrije boeren, de priesters 
en de edelen. Over de laatsten zullen wij in een der volgende 
lessen wat meer spreken. 



19 



/■ 

8. 

9- 

10. 

1 1. 



Vertel eens, hoe de Franken met een overwonnen gewest handelden. 

Welke verplichtingen en welke rechten had een leenman'? 

Wat was de v r ij e en wat de 1 e e n - a d e 1 '? 

Waardoor verminderde het aantal vrije edelen'? 

Ga eens na. waarom het leenstelsel bij een zwak vorst slecht werkte. 

Noem eens iets op. waaruit blijkt, dat de leenman later de wetten 

niet meer eerbiedigde. 

Hoe was het volk verdeeld'? 

Wie behoorden alleen tot de vrije mannen'? 

Waarom zouden de hofhoorigen hun hoeve niet hebben mogen 

verlaten '? 

Waarom hadden de lijfeigenen een harder lot dan de hofhoorigen? 

Hoe zoudt gij de namen lijfeigenen en hofhoorigen verklaren? 



8. De Noormannen (800-1000). 



V 




Schip der Noormannen. 



In de tweede les zagen wij, dat zich ook in Denemarken en 
in Noorwegen Germaansche stammen hadden gevestigd. Zij 
werden in Engeland Denenen in de Frankische staten Noor- 
mannen genoemd. Langen tijd bleven zij afkeerig van het 
Christendom en daardoor ook ruw en onbeschaafd. Rooven en 
plunderen was hun liefste werk; daartoe gingen zij in schepen, 
die den vorm van draken hadden, de zee op en stroopten de 
kusten der naburige landen af. De groote macht van Karel den 
Grooten boezemde hun in den beginne nog eenig ontzag in, 



20 



maar toen de Keizer door zijn zwakken zoon Lodewijk den 
Vromen werd opgevolgd, kregen zij de handen geheel vrij. 
Deze vorst nl. verdeelde uit liefde voor zijn kinderen reeds bij 
zijn leven het Frankische rijk onder zijn drie zonen en bracht 
daardoor de grootste rampen over zijn land. Immers niet te- 
vreden met het hun toegewezen deel, beoorloogden zij elkander, 
ja zelfs hun eigen vader, zoodat het keizerlijk gezag geheel 
verdween. De machtigste leenmannen hadden nu gelegenheid, 
zich met de goederen hunner zwakkere naburen te verrijken 
en maakten dezen tot hun hoorigen. De wetten des lands werden 
niet meer geëerbiedigd en het rijk lag open voor een moedig 
vijand. Die vijanden lieten niet lang op zich wachten : het waren 
de geduchte Noormannen, die van nu af ongeveer 200 jaren 
lang verschillende kustlanden, tot zelfs Italië toe overstroomden. 

Ook in ons land moordden en roofden zij vreeselijk en legden 
tal van steden en kerken in de asch. Tiel, Wijk-bij-Duurstede, 
Nijmegen en Utrecht werden meermalen geplunderd of moesten 
zware brandschattingen opbrengen. Lodewijk de Vrome wilde 
hen gaarne tot het Christendom bekeeren en daarom gaf hij in 
ons land aan drie Noordsche vorsten elk een stuk land in leen, 
onder voorwaarde, dat zij zich zouden laten doopen. Toch mocht 
dit weinig baten, ja, de bewoners dezer streken hadden nog 
meer dan vroeger van hen te lijden. De Friezen b.v. moesten 
de deuren hunner woningen aan de noordzijde aanbrengen en 
zóó laag maken, dat zij telkens bij het naar buiten gaan 
genoodzaakt waren te bukken. Op die wijze werden zij ge- 
dwongen, bet land der Noormannen herhaaldelijk een teeken 
van slaafschen eerbied te geven. Wel een zware straf voor 
dien vrijen Frieschen volksstam! 

Door de invallen der Noormannen ging de welvaart, die 
onder het verstandig bestuur van Karel den Grooten was 
ontloken, weer bijna geheel te niet. Vooral nam het aantal 
onvrijen schrikbarend toe; vele vrije boeren toch werden van 
alles beroofd en moesten hoorigen of lijfeigenen worden, om 
niet van honger om te komen. 



21 

Eerst toen de Noormannen omstreeks het jaar iooo voor 
goed het Christendom hadden aangenomen, hielden hun 
strooptochten op. 

i. Hoe weet ge. dat Lodewijk de Vrome een zwak vorst was? 

2. Waardoor verminderde onder zijn bestuur het aantal leenmannen'? 

3. Vanwaar kwamen de Noormannen? 

4. Hoe waren de omstandigheden na Karels dood hun gunstig? 

5. Waarom plunderden zij juist Duurstede. Tiel, Nijmegen, Utrecht? 
(Denk ook aan vraag 9 van de derde les!) 

6. Hoe trachtte Lodewijk de Vrome hen tot het Christendom over te halen? 

7. Tracht eens te verklaren, waarom de Noormannen ook kerken plun- 
derden. 

8. Welke gevolgen hadden hun invallen? 

9. Wanneer hielden hun strooptochten eindelijk op? 



9. Verschillende zaken. 

Het Frankische rijk was verdeeld in gouwen, een woord, dat 
nog in Hunsin^oo, Fivelin^oo, enz. gevonden wordt. De koning 
stelde over zulk een gouw een graaf als zijn plaatsvervanger 
aan. Deze moest o. a. van de leenmannen in de gouw de be- 
lastingen innen, de strijders ten oorlog oproepen en in voorname 
strafzaken ,,de vierschaar spannen", d. w. z. met zijn schepenen 
een rechtszitting houden. Dit laatste geschiedde in de open 
lucht onder oude boomen of bij groote steenen, waarbij alle 
vrije mannen der gouw toegang hadden. De beschuldigde en 
de aanklager brachten elk getuigen of „eedhelpers" mede. De 
schepenen stelden het vonnis vast, de graaf liet het uitvoeren. 
De steden hadden meestal haar eigen rechtbank, waarbij de 
schout de plaats van den graaf vervulde. In den beginne 
waren de straffen niet wreed; zij bestonden o. a. in geldboeten, 
het doen van verre bedevaarten, of verbanning. Eerst in later 
tijd werden zij zeer onmenschelijk. Toen werden zware mis- 
dadigers vaak gevierendeeld, levend begraven of geradbraakt. 
Geringe vergrijpen strafte men toen o. a. door de schuldigen 
te' geeselen, hun de tong uit te rukken en de vingers, handen, 
voeten, neus of ooren af te snijden. Ook werden sommige boos- 
doeners te pronk gezet en gebrandmerkt. 



22 

Wilde de schuldige niet bekennen, dan werd hij aan een 
godsoordeel onderworpen. In dit geval moest hij bijv. zijn hand 
in het vuur steken; bleef zij ongedeerd, dan werd hij vrij- 
gesproken. Dit heette de vuurproef. Werd de water- 
proef toegepast, dan wierp men den aangeklaagde te water ; 
bleef hij drijven, zoo gold dit voor een bewijs van zijn schuld. 
De p ij n b a n k werd vooral later gebruikt om iemand tot 
bekentenis te dwingen. 

Ook het bijgeloof was zeer groot. Spoken en allerlei voor- 
teekenen, zooals staartsterren, noorderlicht, enz. boezemden 
velen schrik in. 



Onder de edelen waren 
er sommigen, die overal 
met bijzondere onderschei- 
ding werden behandeld en 
ridders heetten. Wie ridder 
wilde worden, moest eerst 
als schildknaap een edel- 
man dienen, om zich vooral 
in het gebruik der wapenen 
te oefenen. Dan werd hij 
met groote plechtigheid tot 
ridder geslagen, waarbij hij 
onder eede moest beloven, 
den godsdienst te verdedi- 
gen en de weduwen en 
weezen te helpen. 
De edelen trokken vaak ten oorlog en droegen dan ijzeren 
harnassen, om zich tegen de pijlen, lansen en strijdbijlen van 
den vijand te beschermen. Ook hun paarden waren om die 
reden met ijzeren platen bedekt. Over deze harnassen hing 
meestal een prachtig kleed, waarop het -wapen van den ridder 
was aangebracht. Dit bestond uit een of ander teeken, waaraan 
de ridders elkander bij gesloten helm konden herkennen; het 




Een ridder. 



23 



werd ook op hun schilden gevonden, terwijl de kleederen van 
hun gevolg eveneens met dit wapen versierd waren. 

Tot de voornaamste vermaken der edelen behoorde de jacht 
op klein wild en op herten, wolven en wilde zwijnen. Vooral 
de valkenjacht was een geliefkoosde uitspanning, zelfs voor de 
edelvrouwen. 

Niet minder in trek waren de steek- of tournooispelen. Dat 
waren wedstrijden, waarbij men elkander met lange houten 
lansen uit het zadel zocht te lichten; wie overwinnaar bleef, 
ontving uit de handen van een adellijke dame een krans als 




Tournooi. 



zegeteeken. Soms ontaardde het spel in een bloedigen strijd, 
zoodat er dan niet zelden dooden vielen. De tournooien werden 
in een afgesloten ruimte — het krijt — gehouden ; de groote 
hadden plaats in het open veld en trokken onder de bevolking 



2 4 

uit den omtrek heel wat toeschouwers. De kleinere steekspelen 
hield men op het plein vóór het kasteel of den burcht van 
den ridder. 

Zulk een kasteel, dat eerst van hout, maar sedert noo van 
steen gebouwd werd, was namelijk aldus ingericht. Het was 
omringd door een breede gracht, waarover een ophaalbrug 
lag. Binnen deze slotgracht verhief zich een sterke buitenmuur, 
voorzien van kleine torens met openingen, waardoor bij een 
beleg de pijlen werden geschoten. Was men de brug over, dan 
kwam men op een voorplein met houten stallen en bergplaatsen. 
Het eigenlijke kasteel lag meestal nog binnen een tweeden muur. 

Bij een beleg was het laatste toevluchtsoord der bewoners 
een sterke toren, welks ingang zoo hoog boven den grond lag, 
dat men dien met een ladder moest bereiken. Liep men ook in 
deze schuilplaats gevaar, dan verliet men het kasteel door een 
onderaardsche gang, die zelfs onder de gracht doorliep en op 
vrij grooten afstand van den bedreigden burcht in het dichte 
bosch uitkwam. 

Onder in den toren bevond zich een vochtig hol met afzich- 
telijke dieren, als padden en slangen, dat tot gevangenis diende 
en waarin menigeen den hongerdood stierf. 

i. Verklaar den naam Oostergoo. 

2. Wat was de graaf eigenlijk en wat moest hij doen'? 

3. Hoe en waar werd recht gesproken ? 

4. Wat waren lichte straffen? 

5. Welke zware straffen had men? 

6. Wanneer en hoe werd het godsoordeel toegepast? 

7. Noem eens iets, dat tot het bijgeloof behoorde. 

8. Hoe kon men ridder worden? 

9. Wat moesten de ridders beloven? 

10. Hoe trokken de edelen ten oorlog? 

11. Waarvoor diende het wapen? 

12. Noem eens enkele hunner vermaken op. 

13. Hoe was een ridderkasteel ingericht? 



10. De eerste graven van Holland. 

Gewoonlijk was de graaf de aanzienlijkste leenman uit de 
gouw en bezat hij daarin ook meer grond dan eenig ander 



25 

edelman. Toen nu het gezag van den leenheer, zooals wij vroeger 
zagen, bijna geheel verloren ging, wisten deze. graven zich wel- 
dra zoo goed als onafhankelijk te maken ; in plaats van 's konings 
plaatsvervanger beschouwden zij zich voortaan zelf als 
leenheer. Dit geschiedde vooral, toen zij door erfenis, aankoop 
of huwelijk hun gebied begonnen uit te breiden en de leenen 
erfelijk wisten te maken. Op die wijze werden langzamerhand 
de talrijke kleine leenen door enkele groote vervangen. Daar- 
aan is het toe te schrijven, dat men hier reeds omstreeks het 
jaar iooo slechts vier groote leenmannen vond: den graaf 
van Holland, den bisschop van Utrecht, den graaf 
van Gelder en den hertog van Brabant. Het grootste 
gebied bezat de bisschop en wel Utrecht, de Veluwe, Over- 
ijsel, Drente en de stad Groningen. De graaf van Gelder ver- 
kreeg door zijn huwelijk ook het graafschap Zutfen en mocht 
zich na 1339 hertog van Gelder noemen. 

Als eerste graaf van Holland wordt meestal Dirk I genoemd, 
die in 922 de kerk van Egmond en haar landerijen ontving. 
Zijn opvolgers trachtten hun gebied te vergrooten en geraakten 
daardoor herhaaldelijk in oorlog met hun naburen. Ten noor- 
den woonden de Friezen, die geen anderen heer wilden gehoor- 
zamen dan den keizer van Duitschland, den leenheer van ons 
land. Wel schonk de laatste hun land nu eens aan den graaf 
van Holland en dan weer aan den bisschop van Utrecht, maar 
de Friezen zelf stoorden zich er niet aan. Daarom trokken de 
graven van Holland vaak hun land binnen, om hen met ge- 
weld te onderwerpen. Gemakkelijk ging dit echter niet, vooral 
daar de vele moerassen en meren voor de Hollandsche graven 
zeer veel moeilijkheden opleverden. — Ook voerden de Hol- 
landers dikwijls oorlog met den bisschop van Utrecht, meestal 
over de grensscheiding hunner landen. Dit geval deed zich in 
1018 voor. De toenmalige graaf. Dirk III, had reeds zijn ge- 
bied tot in Zuid-Holland uitgebreid en bezette in 1015 ook 
een streek gronds aan de Merwede, waarop de Bisschop recht 
meende te hebben. Om zich daar beter staande te kunnen 



26 

houden, bouwde Dirk er een sterkte en hief van de voorbij- 
varende schepen een tol, waardoor hij op het recht van zijn 
leenheer inbreuk maakte. Toen nu de Bisschop en de koop- 
lieden zich bij den Keizer over de eigenmachtige handelwijze 
van Dirk III beklaagden, zond de leenheer den Bisschop een 
leger te hulp, om den Graaf uit zijn sterkte te verdrijven. Maar 
Dirk ontving de vijandelijke troepen zóó wel, dat zij spoedig 
op de vlucht sloegen en velen zich in de rivier stortten, om 
het leven te redden. Door hun zware wapenrusting echter kwa- 
men tal van soldaten in de golven om en de Bisschop zelf 
kon zich ternauwernood in een schuitje redden. De aanvoerder 
van het keizerlijk leger, Godfried van Lotharingen, werd zelfs 
gevankelijk in het slot van den zegevierenden graaf gebracht 
(1018). De vrede kwam nu tot stand en Dirk III bleef in 
het bezit van zijn kasteel, dat de oorsprong van de stad 
Dordrecht is geworden. 

1. Waardoor verminderde het aantal kleine leenen? 

2. Welke leenmannen kent ge omstreeks het jaar 1000 in ons land? 

3. Waarom had men in Friesland geen leenmannen'? 

4. Welk deel van het tegenwoordige Gelderland bezat de Graaf toen 
nog niet"? 

5. Ga eens na, waarom de graven van Holland zoo vaak twist hadden 
met Utrecht en Friesland. 

6. Tracht eens te verklaren, waarom Dirk III juist het land aan de 
Merwede voor zijn kasteel uitkoos. 

7. Waarom zou die tol veel opgebracht hebben? 

8. Waarover had de Bisschop en waarover de kooplieden bij den Keizer 
te klagen? 

9. Hoe wilde men Dirk III onderwerpen? 
io. Wat weet gij van dien strijd? 



11. De kruistochten (1096 1291). 

Het kwam onder de Christenen dikwijls voor, dat zij reizen 
naar het Heilige Land ondernamen, om op de plaatsen, waar 
Jezus geleefd had, te gaan bidden. Zoolang de Romeinsche 
keizers meester van Palestina waren, konden deze bedevaart- 
gangers of pelgrims ongehinderd de gewijde plaatsen bezoeken. 



2 7 

Eveneens lieten de Arabieren, die de Romeinen uit Palestina 
hadden verdreven, de Christenen ongehinderd toe. Onder dat 
volk was namelijk een man opgestaan, Mohammed geheeten, 
die een nieuwen godsdienst verkondigd had. Ofschoon hij zich 
zelven voor Gods grootsten profeet hield, had hij Jezus toch 
een van Gods gezanten genoemd en daarom diens graf ook tot 
de heilige plaatsen gerekend. Toen echter omstreeks het jaar 
iooo een ruwe volksstam uit Azië, de Turken geheeten, de 
Arabieren uit Palestina verjaagde, brak er een droeve tijd 
voor de pelgrims aan. Zij werden tot zware belastingen ge- 
dwongen en bovendien vaak op ergerlijke wijze gekweld en 
mishandeld. Dat konden de Christenen in Europa niet langer 
toelaten en op aanraden van den Paus besloot men, het Heilige 
Land aan de Turken te ontrukken. Duizenden lieden, arm en 
rijk, oud en jong. vereenigden zich daarom in 1096, onder aan- 
voering van Godfried van Bouillon, tot een kruistocht en 
reeds een jaar later was Jeruzalem in hun bezit. Doch de Tur- 
ken bleven het den Christenen voortdurend lastig maken, zoodat 
er telkens nieuwe tochten noodig waren. Allen, die aan zulk 
een tocht deelnamen, droegen een kruis van rood laken op 
den rechterschouder en werden kruisvaarders genoemd. 
Van de Hollandsche graven hebben er twee aan de kruis- 
tochten deelgenomen en wel Floris III en zijn zoon Willem I. 
Floris is op den kruistocht in het Oosten gestorven, terwijl 
Willem I veel roem behaalde met de inneming van Damiate. 
Toen hij namelijk tot aanvoerder van een nieuwen kruistocht 
was gekozen, besloot hij, in Egypte te landen, vervolgens langs 
de kust der Middellandsche Zee te trekken en op die wijze 
Palestina van de landzijde aan te vallen. Bij den mond van 
den Nijl stond echter een sterke toren, die de daarachter 
liggende stad Damiate beschermde. Eerst na een hardnekkigen 
tegenstand gaf de sterkte zich over en kon de Graaf de stad 
belegeren. De inwoners verweerden zich dapper, doch moesten 
zich, door den hongersnood gedwongen, ten laatste overgeven 
(12 19). Willem I trok thans om bijzondere redenen naar Hol- 



28 

land terug, waardoor de sultan van Egypte gelegenheid had, 
Damiate te heroveren. 

i. Waarom lieten zoowel de Romeinen als de Arabieren de pelgrims in 
Palestina toe? 

2. Wat gaf aanleiding tot de kruistochten? 

3. Verklaar eens, waarom er verscheidene noodig waren. 

4. Waarom trokken de kruisvaarders zooveel mogelijk over land? 

5. Weet ge nu, hoe zij hun weg dan moesten nemen? 

6. Welke graven namen aan een kruistocht deel? 

7. Op welke wijze dacht graaf Willem I Palestina te veroveren? . 

8. Verklaar eens. waarom de verovering van Damiate zoo roemvol voor 
hem was. 



12. Gevolgen der kruistochten. 

Twee eeuwen lang duurde de strijd tusschen de Christenen 
en de Turken, waarbij honderdduizenden kruisvaarders het 
leven verloren. De Turken bleken echter op den duur mach- 
tiger te zijn, en zoo moesten de Christenen ten laatste voor 
goed van hun voornemen afzien. Al hebben dus de kruistochten, 
die tal van menschenlevens kostten, hun doel niet bereikt, 
toch hadden zij belangrijke gevolgen. Vooreerst leerden de 
Christenen in het Oosten verschillende voortbrengselen kennen, 
die zij voortaan ook in Europa wenschten te gebruiken en 
waardoor al heel spoedig een belangrijke handel met Klein- 
Azië ontstond. Verder had men ginds veel betere en fraaiere 
huizen gezien en nu ging men die hier ook bouwen. Maar 
wat wel het belangrijkste was, de kruistochten maakten van 
vele lijfeigenen en hofhoorigen vrije mannen. Om namelijk 
een groot leger van kruisvaarders te verkrijgen, had de Paus 
beloofd, dat ieder onvrije, die aan een kruisvaart deelnam, ge- 
heel vrij zou worden. Bovendien gebeurde het vaak, dat een 
edelman, vóór hij naar Palestina ter kruisvaart vertrok, zijn 
achtergebleven dienstmannen van hun lijfeigenschap ontsloeg. 
Deed hij dit niet, dan liep hij gevaar, dat al zijn hoorigen, om 
hun vrijheid te verkrijgen, kruisvaarders werden, en daardoor 
zouden dan zijn hoeven geheel ontvolkt zijn geworden. 

Op die wijze kwamen er weldra verscheidene menschen. die 



29 

geen edelman meer behoefden te gehoorzamen en dus voortaan 
geheel voor zich zelven konden werken. Sommigen van hen 
bleven zich als vrije boeren met den landbouw bezighouden, 
anderen gingen als koop- of handwerkslieden in reeds bestaande 
steden wonen of vestigden zich in dorpen, die weldra zoo 
groot werden, dat zij tot stad werden verheven. 




Ommuurde stad. 



De steden uit die dagen geleken nog lang niet op de 
tegenwoordige. In de zesde les zagen wij, hoe zij er van binnen 
uitzagen, en dit was nog weinig veranderd. De straten waren 
nog steeds nauw, ongeplaveid en krom en 's avonds niet ver- 
licht. Zelfs was men bij donker niet veilig op straat, zoodat 
men dan niet zonder wapens kon uitgaan. Vaak had men daar- 
om burgerwachten aangesteld, om tegen de dieven te waken. 

De huizen bleven nog lang van hout en waren met riet 



3o 



gedekt; daar men nog geen spuiten bezat, kon een brand toen 

grootc verwoestingen aanrichten. 

Om tegen den vijand 
beveiligd te zijn, had- 
den de steden zich door 
muren omringd, die 
hier en daar poorten 
hadden, welke des 
avonds na het luiden 
der poortklok door 
zware deuren werden 
gesloten. Op de to- 
rens, meestal boven 
de poorten gebouwd, 
werd voortdurend 
wacht gehouden. Om 
den muur was een 
gracht gegraven , waar- 
over een ophaalbrug 
lag, evenals bij de 
ridderkasteelen. Ieder 




Stadspoort. 



bewoner der stad was verplicht zich in het gebruik van pijl 
en boog, zwaard of bijl te oefenen, om zoo noodig de stad te 
kunnen verdedigen. 

Daar het in de stad dus veiliger was dan daar buiten, hadden 
zich binnen de muren ook vele boeren gevestigd, die hun stallen 
en zelfs hun akkers nog lang in de stad hadden. Dit maakte 
haar voorkomen niet zuidelijker, evenmin als de varkens, die 
vrij op de straten rondliepen. Eerst later, toen er door het 
toenemen der bevolking gebrek aan ruimte kwam, moesten de 
boeren hun bedrijf buiten de stad gaan uitoefenen. 

De verschillende handwerkslieden hadden vakvereenigingen 
gesticht, die men gilden noemde. Zoo had men b.v. het 
weversgilde, het brouwersgilde, het looiersgilde, enz. Zij woon- 
den in den beginne meestal kort bij elkander, zooals aan som- 



3i 

mige namen van straten of grachten nog te hooren is. Niemand 
mocht zijn bedrijf uitoefenen, of hij moest tot een gilde behooren. 
Men had meesters, gezellen en leerlingen. De eersten 
hadden het recht hun handwerk voor eigen rekening te mogen 
uitoefenen en zij alleen konden lid van het gilde zijn; de ge- 
zellen waren hun knechts, terwijl de leerlingen meestal voor 
geld het handwerk bij de meesters leerden. Om meester te 
kunnen worden, moest men een zeker aantal jaren als gezel 
gewerkt hebben en eerst een proefstuk van zijn bekwaamheid 
leveren. Aan het hoofd der gilden stonden de dekens of over- 
heden, die door de meesters gekozen werden. Soms kregen 
de gilden ook eenigen invloed op de regeering der stad. Door 
een levendigen handel en door nuttige handwerken verdien- 
den deze stedelingen of poorters veel geld en waren daar- 
door in staat, den vorst dikwijls te helpen. Uit dankbaarheid 
schonk hij dan aan de steden vele voorrechten, die weer 
nieuwe bewoners lokten en haar nog grooter en aanzienlijker 
maakten. In zulke voorrechten stond de graaf o. a. toe, dat 
de burgers een eigen bestuur mochten kiezen, dat zij naar 
welgevallen een huwelijk konden aangaan, dat zij de vrije 
beschikking over hun goederen hadden, dat zij voor geen 
vreemde rechtbank behoefden te verschijnen, dat zij gewaar- 
borgd werden tegen willekeurige gevangenneming, dat zij jaar- 
markten mochten houden enz., dus belangrijke voorrechten, 
die de lijfeigenen nimmer hadden genoten. Men noemt deze 
twee gewichtige gebeurtenissen als gevolg der kruistochten : 
het ontstaan van den vrijen boerenstand en de 
opkomst der steden, of ook wel beide te zamen : de op- 
komst van den derden stand. 

De edelen zagen met afgunstige oogen den toenemenden 
bloei der steden aan. Vroeger had de vorst alleen van hen alle 
hulp moeten verkrijgen en hen daarom bij hun eigendunkelijke 
handelwijze dikwijls moeten ontzien. Doch nu werd dit anders : 
de steden konden weldra meer geld opbrengen dan de edelen, 
zoodat de vorst de hulp der laatsten niet meer noodig had. 



32 

Maar daardoor kon hij ook hun macht, die zij voor den ver- 
leenden bijstand verkregen hadden, weer gaan beperken, hoe 
ongaarne de edelen dit ook zagen. Over twee Hollandsche 
graven, die vooral den derden stand begunstigd en de macht 
van den adel verminderd hebben, zullen wij in de volgende 
les spreken. 

Buiten op het land, later ook in de steden, vond men kloos- 
ters, waarin de monniken of de nonnen zich van de wereld 
afzonderden, om een vroom leven te kunnen leiden. De mon- 
niken waren gewoonlijk de eenigen in die dagen, die ijverig 
kunsten en wetenschappen beoefenden. Op het platteland vond 
men dan ook geen andere scholen dan die der kloosters, waar 
de kinderen der aanzienlijken onderwijs ontvingen. Vele monni- 
ken hebben de woeste streken, waarin zij hun kloosters bouw- 
den, vruchtbaar gemaakt en door het aanleggen van dijken 
het land tegen de veelvuldige overstroomingen beveiligd. 

i. Waaruit blijkt, dat de kruisvaarders hun doel niet bereikt hebben? 

2. Welk nadeel hadden de kruistochten? 

3. Vertel nog eens, wat lijfeigenen en wat hofhoorigen waren. 

4. Wat zoudt ge het belangrijkste voordeel der kruistochten noemen? 

5. Hoe zagen de steden er toen uit? 

6. Waardoor richtte een brand vaak groote verwoestingen aan? 

7. Wat was er noodig om gildemeester te kunnen worden? 

8. Hoe zorgden de gilden voor bekwame handwerkslieden? 

9. Waardoor nam 't aantal der bewoners der steden zeer toe? 

10. Wat bepaalden o. a. de voorrechten of privilegiën? 

11. Waardoor verminderde weldra de macht der edelen? 
[2. Welk nut hadden de kloosters voor den omtrek? 

13. Verklaar de namen: „Bakkersstraat", „Weversstraat", Brouwers- 
gracht". 



13. Willem II en Floris V. 

Willem II was de eerste graaf van Holland, die zich een 
vaste woonplaats koos. Hij liet nl. zijn houten jachtslot in het 
tegenwoordige 's-Gravenhage door een fraai steenen gebouw 
vervangen. Aan hem viel in 1247 de groote onderscheiding 
te beurt tot Roomsch-Koning, d. i. tot opvolger van den keizer 
van Duitschland, te worden verkozen. Dit rijk bestond namelijk 




pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6de druk. 



34 

uit verschillende staatjes, waarvan enkele vorsten het recht 
hadden, nog bij het leven van den keizer diens opvolger' te 
kiezen. Hierom heette Duitschland een kiesrijk, terwijl de 
bedoelde vorsten den titel van keurvorst droegen. — Door 
zijn vroegtijdigen dood heeft Willem II de keizerskroon niet 
kunnen dragen: in 1256 sneuvelde hij in een veldtocht tegen 
de West-Friezen. Reeds vroeger zagen wij, dat de Hollandsche 
graven ook dit volk wilden onderwerpen en hoe moeilijk het 
hun viel, in dit moerassige land vasten voet te krijgen. Daarom 
besloot Willem II West-Friesland in den winter binnen te 
trekken; doch hij ging op zijn tocht zoo haastig te werk, dat 
hij bij Hoogwoud van de zijnen afdwaalde, door het ijs zakte 
en op staanden voet door eenige toegesnelde West-Friezen 
werd gedood. Willem II heeft zich vooral verdienstelijk ge- 
maakt, doordat hij het lot der lijfeigenen verbeterde en aan 
verscheidene steden vele voorrechten schonk. Zoo hebben b.v. 
Haarlem, Delft, Middelburg en Zieriksee aan hem hun op- 
komst te danken. 

Zijn zoon en opvolger Floris V volgde het voorbeeld zijns 
vaders. Hij trok in 1288 tegen de West-Friezen op en bracht 
ze voor goed ten onder. Bij die gelegenheid mocht het hem 
gelukken het lijk van zijn vader te ontdekken; een oude Fries 
wees het hem aan, op voorwaarde, dat Floris zijn leven zou 
sparen. Het lag onder een boerenhaardstede begraven en werd 
door den Graaf met alle pracht te Medemblik ter aarde besteld. 

Floris regeerde niet alleen in zijn eigen graafschap naar den 
wensch des volks, ook bij de West-Friezen wist hij zich spoedig 
door zijn weldadig bestuur bemind te maken. Hij begunstigde 
de steden nog meer, dan zijn vader gedaan had, en zocht 
op allerlei wijzen de macht der edelen te verminderen. Zoo 
schonk hij voorrechten aan Dordrecht, Delft, Leiden, Rotter- 
dam, Gouda en Schoonhoven, terwijl in West-Friesland de ste- 
den Monnikendam en Medemblik privilegiën van hem ontvingen. 

Sommige edelen dwong hij, hun eigendommen aan hem af 
te staan en ze als leenen terug te ontvangen. Door dit alles 



35 

laadde hij zich natuurlijk hun haat op den hals. Zij besloten 
daarom, hem gevankelijk naar zijn vijand, den koning van 
Engeland, te voeren, waar hij hen niet langer vernederen kon. 
Buiten Utrecht werd hij in 1296 op een valkenjacht verraderlijk 
gevangen genomen en naar het Muiderslot gebracht. Nauwe- 
lijks had het volk dit gehoord, of het kwam in grooten getale 
op de been, om hem uit de handen zijner verraders te ont- 
zetten. Toen de edelen met hem wilden vluchten, ontmoetten 
zij zijn verlossers en brachten hem laaghartig om het leven. 

1. Wat is een kiesrijk'? 

2. Welke waardigheid verkreeg Willem II? 

3. Verklaar, waarom Willem II juist in den winter West-Friesland 
binnentrok. 

4. Zeg ook, waarom wel de Graaf, maar niet de West-Friezen door 
't ijs zakten. 

5. Hoe blijkt uit de les, dat de kruistochten niet alle lijfeigenen vrij 
hadden gemaakt? 

6. Wie heeft de West-Friezen voor goed onderworpen? 

7. Noem eens eenige steden uit dien tijd op. 

8. Waardoor wekte Floris V den haat der edelen op? 

9. Vertel eens iets over zijn uiteinde. 

10. Waardoor is de regeering van Willem II en Floris V belangrijk geweest? 



14. Het Henegouwsche huis (1299 1354). 

De zoon en opvolger van Floris V was de jeugdige Jan I, 
die reeds drie jaren later overleed. Daar hij geen kinderen 
naliet, werd hij door zijn neef Jan II van Avennes opgevolgd. 
Deze vorst was reeds graaf van Henegouwen en daardoor 
kwam in Holland en Zeeland thans het Henegouwsche 
stamhuis aan de regeering. Toch waren er in Zeeland ver- 
scheidene edelen, die liever een anderen graaf hadden ge- 
wenscht en Jan II dus noode gehoorzaamden. Van deze onte- 
vredenheid trachtte de graaf van Vlaanderen partij te trekken. 
Reeds meermalen had hij een begeerig oog op Zeeland gesla- 
gen; thans meende hij het zonder veel moeite te kunnen ver- 
overen. De ontevreden Zeeuwsche edelen verbonden zich met 
hem en in korten tijd hadden de Vlamingen niet alleen bijna 



36 

geheel Zeeland in hun bezit, maar waren zij zelfs tot bij Haar- 
lem doorgedrongen. 

Dat was een droeve tijd voor de beide gewesten, vooral ook, 
omdat graaf Jan II in Henegouwen ziek lag en dus den vijand 
niet verdrijven kon. Doch Witte van Haamstede, een Hol- 
landsch edelman, zeilde met een enkel scheepje in alle stilte 
uit Zeeland langs de kusten, landde bij Zandvoort en liet van 
het hoogste duin, den Blinkert, de Hollandsche vlag waaien. 
Toen riep hij de boeren en burgers te wapen, en vol geest- 
drift gaven zij aan zijn roepstem gehoor. Bij het dorp Hillegom 
werden de Vlamingen zóó geducht geslagen, dat zij met groot 
verlies moesten aftrekken en binnen één week Holland weer 
ontruimden, 's Graven zoon Willem verdreef ze nu ook spoedig 
uit Zeeland en zoo werd het land van de indringers bevrijd 

(1304). 

Nog in hetzelfde jaar stierf Jan II en werd door zijn reeds 
genoemden zoon opgevolgd. Willem III regeerde zeer wel- 
dadig en rechtvaardig, zoodat het volk hem uit dankbaarheid 
den bijnaam van den Goeden gaf. In 1323 sloot hij een 
verdrag met den graaf van Vlaanderen, waarbij deze zijn aan- 
spraken op Zeeland aan Holland afstond. Hierdoor namen 
de twisten met de Vlamingen voor goed een einde. Toen Wil- 
lem III in 1337 overleed, volgde zijn zoon Willem IV hem op. 
Deze was juist het tegenbeeld zijns vaders; hij kende geen 
grooter genoegen dan oorlog voeren en verkwistte daarmede 
schatten gelds. Zijn voorgangers hadden in Friesland wel 
reeds eenige veroveringen gemaakt, maar toch kwamen de 
Friezen telkens weer in opstand. Toen zij dit in 1345 opnieuw 
deden, besloot de oorlogszuchtige Willem hen voor goed te 
onderwerpen. Met een groote vloot en een sterk leger zeilde 
hij de Zuiderzee over, doch leed bij Stavoren een geduchte 
nederlaag, waarbij hij zelf sneuvelde (1345). 

1. Hoe lang heeft het Hollandsche huis geregeerd? 

2. Waardoor konden de Vlamingen met goed gevolg een inval doen? 

3. Verklaar, waarom Witte van Haamstede maar met één scheepje naar 
Holland zeilde. 



37 

4. Wat weet gij van Willem III? 

5. Welk deel der Friezen was reeds vóór 1300 onderworpen ? 

6. Wat maakte den Hollandschen graven de verovering van het eigenlijke 
Friesland zoo kostbaar en dus moeilijk'? (Denk aan de Zuiderzee!) 

7. Hoe lang heeft Willem IV geregeerd? 

8. Waarom moesten zijn onderdanen zware belastingen opbrengen? 

9. Wat weet gij van zijn uiteinde? 



15. Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. 

Willem IV was kinderloos gestorven en liet alleen een zuster, 
Margareta, na. Volgens de wetten van het leenstelsel mocht 
in Holland geen vrouw opvolgen, wel echter in Henegouwen. 
Het eerste gewest heette daarom een zwaar dl een, het 
andere een spilleleen. Daar er nu bij den dood van Wil- 
lem IV geen mannelijk erfgenaam bestond, vervielen Holland en 
Zeeland weer aan den Duitschen keizer. Dewijl deze gehuwd 
was met Willems zuster Margareta en hij de beide gewesten 
gaarne voor zijn kinderen wilde behouden, schonk hij ze aan 
zijn vrouw in leen. Dit was wel in strijd met de leenwetten, 
maar de edelen hadden een gewichtige reden, om er geen 
bezwaar tegen te maken. Immers onder het bestuur eener 
vrouw konden zij lichter hun verloren invloed herwinnen dan 
onder een man, en zoo aanvaardde Margareta het bewind over 
Holland en Zeeland. Doch het bleek al spoedig, dat de burgers 
alles behalve met de Gravin waren ingenomen; weldra werd 
hun ontevredenheid zelfs zoo groot, dat zij haar elke belasting 
weigerden. Nu besloot Margareta het graafschap aan haar* 
tweeden zoon, Willem, af te staan op voorwaarde, dat hij haar 
jaarlijks omstreeks 30000 gulden zou uitkeeren. Daar hij 
echter op aanraden van zijn aanhangers zijn belofte niet na- 
kwam, herriep Margareta haar afstand, tot groot genoegen der 
edelen. Maar Willem weigerde de regeering weer neer te 
leggen, en nu ontstond er tusschen moeder en zoon een twist, 
waarin de meeste edelen de partij van Margareta en de steden 
de zijde van Willem kozen (1350). In den beginne voerde de 
Gravin den strijd met goed geluk, doch later leed zij een 



38 



gevoelige nederlaag. Zij verzoende zich toen met haar zoon 
en erkende hem als graaf van Holland en Zeeland, onder 
den naam van Willem den Vijfden (1354). Daar zijn vader 
Lodewijk van Beieren heette, kwam dus met hem het Beier- 
s c h e huis aan de regeering. Toch was hiermede de oorlog 
tusschen de edelen en de steden niet geëindigd ; de eersten 
waren reeds zóó lang over de toenemende macht van den 
derden stand verbitterd geweest, dat zij niet zoo spoedig den 
eenmaal uitgebarsten strijd wilden opgeven. Wel was het 
vaak voor eenigen tijd weer rustig in het land. doch bij de 
minste aanleiding brak de oorlog opnieuw uit. Men noemt 
den strijd tusschen adel en volk de Hoeksche en Kabel- 
jauwsche twisten; zij hebben, de bedoelde tusschenpoozen 

meegerekend, i5ojaar 
geduurd. 

In de wijze van 
oorlogvoeren was 
langzamerhand een 
groote verandering 
gekomen. 

Tot nog toe hadden 
de soldaten gestreden 
met wapenen, waar- 
bij vooral kracht ver- 
eischtwerd; het waren 
o. a. p ij ï e n, die men 
in een koker bewaar- 
de, arm- en voet- 
bogen, zwaarden, 
korte sabels, lan- 
sen, hellebaarden 
en s t r ij d k o 1 v e n. 
Bij de bestorming van 
een vesting wierp men 
door middel van b 1 ij- 




Boogschutters. 



39 

den zware steenen in de stad of tegen de muren. Ook gebruikte 
men stormrammen om een bres in den muur te loopen 
of een poort te verbrijzelen. Met behulp van stormladders 
of met verplaatsbare belegeringstorens, evenhoogen ge- 
noemd, trachtte de vijand de muren te beklimmen, waarbij hij 
zich tegen de aanvallen der belegerden meestal met zijn schild 
beschermde. Mannen en vrouwen stonden achter de muren 
gereed om met lange haken de stormladders weg te trekken 
of de belegeraars met zware steenen, kokende olie, bijtende 
kalk of volle bijenkorven te verdrijven. 

Dit alles veranderde grootendeels, toen het buskruit werd 
uitgevonden en lichaamskracht niet meer een eerste vereischte 




Oud kanon. 



was. Tegen de vernielende kracht van het kruit, dat in den 
oorlog tusschen Margareta en haar zoon Willem V voor het 
eerst in ons land gebruikt werd, waren de harnassen en de 
sterke slotmuren der edelen niet bestand; hierdoor nam hun 
macht nog meer af, zeer ten voordeele der burgers. 

Willem V had niet lang genoegen van zijn bestuur, dat hij 
door opstand tegen zijn moeder verkregen had. Reeds drie 



4 o 

jaren na zijn erkenning werd hij krankzinnig (1357) en is het 
gebleven tot aan zijn dood toe (1389). 

1. Waarom noemde men Holland een zwaardleen? 

2. Verklaar, waarom de steden met het bestuur eener gravin niet waren 
ingenomen. 

3. Wat gaf aanleiding tot den twist tusschen moeder en zoon? 

4. Hoe liep de twist af? 

5. Over welke gewesten regeerde Willem V? 

6. Wat waren eigenlijk de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten? 

7. Welke wapenen gebruikte men vroeger in den oorlog? 

8. Welke werktuigen had men om een vesting te bestormen? 

9. Welke gevolgen had de uitvinding van het buskruit? 
10. Hoe lang is Willem V krankzinnig geweest? 



16. Jacoba van Beieren. 

De laatste graaf uit het Beiersche huis was Willem VI, die 
slechts een dochter, Jacoba, bezat. Daar zij in Holland en 
Zeeland niet mocht opvolgen, riep haar vader de edelen en 
steden bijeen, om haar toch als zijn opvolgster te laten er- 
kennen. Alleen de Hoekschen verschenen ter vergadering en 
stonden het verzoek van hun graaf toe; de Kabeljauwschen 
daarentegen bleven weg. Dat voorspelde al weinig goeds voor 
de aanstaande gravin. Toen Willem dan ook in 141 7 gestorven 
was en de zeventienjarige Jacoba hem opvolgde, kozen de 
Kabeljauwschen Willems broeder. Jan van Beieren, tot graaf. 
Om zich nu beter tegen dezen te kunnen verzetten, huwde 
Jacoba den hertog van Brabant. Zij werd echter diep teleur- 
gesteld. In plaats dat haar echtgenoot haar land zocht te ver- 
dedigen, verpandde hij daarvan een groot gedeelte aan Jan 
van Beieren, waardoor Jacoba hem vol spijt verliet en naar 
Engeland vluchtte. Hier huwde zij met den hertog van Glocester, 
een broeder des Konings, en stak, vergezeld van een groot 
leger, naar Henegouwen over. 

Thans scheen de fortuin haar gunstig te zullen worden, 
vooral toen haar grootste tegenstander, Jan van Beieren, stierf. 
Maar helaas ! nieuwe teleurstellingen wachtten de ongelukkige 
Gravin : zij kreeg in den erfgenaam van haar oom een veel 



4i 

geduchter vijand. Dat was haar neef Filips, die niet alleen zijn 
machtig hertogdom Bourgondië, maar nog verscheidene andere 
gewesten onder zijn bestuur had. Holland en Zeeland erkenden 
echter haar vorigen echtgenoot, den hertog van Brabant, als 
hun graaf en alleen Henegouwen bleef haar getrouw. Nieuwe 
hoop vleide Jacoba, toen haar edelen de stad Schoonhoven 
innamen, bij welke gelegenheid de bekende Albrecht Beiling 
tot een wreeden dood veroordeeld werd. Doch ook deze voor- 
spoed was van korten duur: onverwachts moest haar man 
weer naar Engeland terugkeeren en nu ging ook Henegouwen 
voor haar verloren. Spoedig daarna werd zij door Filips ge- 
vangen genomen en in Gent opgesloten. Toch wist zij in 
manskleeren haar kerker te ontsnappen en naar Holland terug 
te keeren, waar zij zelve een leger aanvoerde' en tweemalen 
een overwinning behaalde. 

Maar ook ditmaal keerde het krijgsgeluk haar spoedig den 
rug toe en zij werd genoodzaakt met haar machtigen neef 
Filips te Delft een verdrag te sluiten (1428). Zij moest Filips 
als haar opvolger erkennen en zich verbinden zonder zijn 
toestemming nimmer een huwelijk te zullen aangaan. Toen zij 
echter vijf jaar later toch in stilte met een Zeeuwsch edelman 
trouwde, verloor zij haar landen. Na dien tijd leefde zij op 
het kasteel Teilingen bij Leiden aan den Rijn, waar zij in 
1436 haar ongelukkig leven eindigde. 

1. Verklaar, waarom Willem VI de bedoelde belofte zijner onderdanen 
noodig had. 

2. Voor welk gewest behoefde dit niet? 

3. Waarom zouden de Kabeljauwschen niet op de vergadering verschenen 
zijn ? 

4. Verklaar eens, waarom Jacoba na haar terugkomst uit Engeland goede 
hoop had, haar tegenstander te overwinnen. 

5. Waarom was Filips van Bourgondië nog meer voor haar te vreezen? 

6. Welke schanddaad bedreven Jacoba's aanhangers? 

7. Wat bepaalde het verdrag van Delft? 

8. Filips verbood haar, zonder zijn toestemming te trouwen. Welke reden 
zou hij daarvoor gehad hebben? 

9. Ga eens na, hoe oud Jacoba was. toen zij stierf. 



4 2 

17. Het Bourgondische huis (1433 1482). 

Met Jacoba's neef Filips kwam het Bourgondische huis 
aan de regeering. Deze machtige hertog breidde zijn gebied 
door huwelijk of aankoop nog voortdurend uit, zoodat hij ten 
laatste over niet minder dan twaalf gewesten regeerde. In ons 
land b.v. gebood hij over Brabant, Limburg, Holland en Zee- 
land. Het was zeer moeilijk, al die staten elk naar hun eigen 
wetten en voorrechten te regeeren. Daarom trachtte hij zooveel 
mogelijk die bijzondere wetten door andere te vervangen, welke 
voor zijn geheele gebied geldig waren. Hierdoor was hij echter 
dikwijls genoodzaakt, sommige privilegiën der steden te schen- 
den, zoodat de burgers niet zelden in opstand tegen hun heer 
kwamen. Maar Filips regeerde met krachtige hand en strafte 
elk verzet zwaar. Ook bedwong hij de noodlottige twisten tus- 
schen de Hoekschen en Kabeljauwschen, zoodat deze landen 
na al de vorige onlusten spoedig weer rust en vrede genoten. 
Hierdoor konden handel en nijverheid zich beter ontwikkelen 
en behoorden deze gewesten weldra tot de rijkste van geheel 
Europa. Al ontzag Filips zich dus niet, vaak de voorrechten der 
burgers te schenden, toch ondervonden zijn onderdanen spoedig 
de weldadige gevolgen van zijn krachtig bestuur; uit dankbaar- 
heid gaven zij hem dan ook den bijnaam van den Goeden. 

Door de schatten, die handel en nijverheid opleverden, 
heerschte hier een groote weelde. De vorst gaf met zijn schitte- 
rende feesten en prachtige kleedij het voorbeeld, de edelen 
en de burgers volgden het gretig na. 

Tot omstreeks 1400 moesten al de boeken geschreven wor- 
den, zoodat zij zeer duur waren en dus weinigen konden lezen. 
Anders werd dit, toen tegen het midden der 15e eeuw de 
boekdrukkunst werd uitgevonden ; nu konden ook de 
minder gegoeden boeken koopen, zoodat de beschaving zeer 
toenam. Laurens Janszoon Coster te Haarlem was waarschijn- 
lijk de uitvinder, in elk geval de eerste boekdrukker in ons 
land (1440). 



43 

Filips stierf in 1467 en werd door zijn zoon Karel den Stouten 
opgevolgd. Deze vorst toonde zich in hooge mate ijdel en oor- 
logzuchtig. Hij was niet tevreden met den titel van Hertog, 
neen, hij wilde al zijn staten tot één gebied vereenigen en zich 
daarover dan tot koning laten kronen. Zulk een verheffing- 
kon volgens de leenwetten alleen door den Duitschen keizer, 




Kleederdracht, stoel en schoorsteen uit de 15e eeuw. 

Karels leenheer, geschieden. In den beginne had de Keizer er 
geen bezwaren tegen ; hij hoopte zelfs door deze gunst voor 
zijn zoon Maximiliaan de hand van Karels eenige dochter te 
verwerven en op die wijze aan zijn geslacht een uitgebreid 
gebied te verzekeren. Doch alras bemerkte de Keizer, dat de 
Hertog tot dat huwelijk nooit zijn toestemming zou geven, en 



44 

toen nu ook Karels vijand en nabuur, de koning van Frankrijk, 
den Keizer tegen hem opstookte, kwam er van de geheele 
kroning niets. Thans besloot de teleurgestelde Hertog met ge- 
weld op te treden en zijn gebied met de omliggende landen te 
vergrooten. Hij veroverde werkelijk het hertogdom Lotharingen 
en wilde zich daarna ook van Zwitserland meester maken. Als 
hij dit land in zijn bezit had, zou hij het aangrenzende Italië 
bij zijn rijk voegen, en dan heerschte hij van de Middellandsche 
tot de Noordzee. Maar de Zwitsers verweerden zich dapper 
en brachten den Hertog een gevoelige nederlaag toe. 

Intusschen was door zijn afwezigheid het hertogdom Lotha- 
ringen weer verloren gegaan en nu trok Karel ijlings daarheen, 
om het opnieuw te veroveren. Hij belegerde de hoofdstad 
Nancy, maar in den veldslag, dien hij hier leverde, sneuvelde 
hij (1477). 

Karels eenige dochter, Maria, kwam onder zeer ongunstige 
omstandigheden aan de regeering. Het geheele land was door 
het slechte bestuur van den heerschzuchtigen Hertog ontevreden 
geworden, de schatkist was leeg en vele gewesten wilden Maria 
niet eerder erkennen, voordat zij hun verscheidene voorrechten 
had toegestaan. Zoo wist b.v. Holland haar te dwingen, al de 
voorrechten terug te geven, welke door Filips den Goeden en 
Karel den Stouten waren ingetrokken. Bovendien moest Maria 
aan Holland en Zeeland het Groot- Privilegie verleenen, 
waarbij zij veel van haar macht aan de edelen en de steden 
afstond. Ook zocht de heerschzuchtige koning van Frankrijk 
met Maria's neteligen toestand zijn voordeel te doen; hij ont- 
nam haar o. a. het groote hertogdom Bourgondië. Gelukkig 
huwde zij spoedig den dapperen Maximiliaan van Oostenrijk, 
zoon van den Duitschen keizer. Hij versloeg den Franschen 
koning in een geduchten veldslag en wist kort daarna een 
voordeeligen vrede te sluiten (1482). Maria had er echter niet 
lang genoegen van; nog in hetzelfde jaar stierf zij en liet 
een zoon na, Filips de Schoone geheeten. 



45 

i. Noem eens een paar Nederlandsche gewesten van Filips van Bour- 
gondië, die zijn voorgangers niet bezaten. 

2. Waardoor ontstonden onder zijn bestuur wel eens opstanden? 

3. Verklaar eens, waarom men hem den bijnaam van den Goeden gaf. 

4. Vertel iets van Karel den Stouten. 

5. Toon eens aan, dat hij heerschzuchtig was. 

6. Hoe kunt ge verklaren, waarom bij zijn dood de schatkist ledig was'? 

7. Noem eens een paar ongunstige omstandigheden op, waaronder Maria 
de regeering aanvaardde. 

8. Waarom zou Holland van haar zoovele voorrechten hebben geëischt'? 
(Denk aan de leenwet en ook aan vraag 2!) 

9. Welke gevolgen had de uitvinding der boekdrukkunst'? 



18. Gelder, Utrecht en Friesland. 

Zooals wij reeds vroeger zagen, had de graaf van Gelder door 
zijn huwelijk met de erfdochter van het graafschap Zutfen zijn 
gebied aanmerkelijk vergroot. Een zijner opvolgers, Reinoud II, 
verkreeg in 1339 het voorrecht zich voortaan Hertog te mogen 
noemen. Hij schonk, evenals Floris de Vijfde in Holland had 
gedaan, vele voorrechten aan den derden stand en vermin- 
derde daardoor de macht zijner edelen aanzienlijk. 

Ook in Gelderland ontstonden burgeroorlogen van gelijken 
aard als de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten in Holland. 
De twee partijen heetten daar Heeckerens en Bronkhorstén. 

In 1423 werd Arnoud van Egmond, een Hollandsch edelman, 
hertog van Gelderland. Hij regeerde echter volstrekt niet naar 
den wensch zijner onderdanen; door zijn vele oorlogen moest 
hij hun zware belastingen opleggen en vele steden verpanden, 
waarvan een algemeene ontevredenheid het gevolg was. Nu 
plaatste zich zijn zoon Adolf aan het hoofd der misnoegden; 
hij liet zijn vader verraderlijk gevangen nemen en in een kouden 
winternacht van het jaar 1465 van Grave naar het slot te 
Lobit voeren, om den volgenden nacht den grijsaard naar het 
kasteel te Buren over te brengen. Maar Karel de Stoute, die 
zijn gebied gaarne met Gelderland vergrooten wilde, ontsloeg 
Arnoud uit den kerker en nam Adolf op zijn beurt gevangen. 
De Gelderschen waren echter hiermede alles behalve inge- 
nomen en daarom stond de oude Hertog de regeering aan 



4 6 

Karel den Stouten af voor een som van 300000 gulden. Nog 
heviger verzetten de Gelderschen zich tegen dezen afstand, 
zoodat Karel gedwongen was, hen met geweld van wapenen 
te onderwerpen. Na zijn dood werden de Gelderschen weer 
vrij en vol blijdschap haalden zij Adolf uit zijn kerker. Maar 
nog in hetzelfde jaar sneuvelde deze tegen de Franschen. Hij 
liet een jongen zoon, Karel, na, die zich op dat oogenblik 
aan het Bourgondische hof bevond. Maximiliaan weigerde 
echter hem het hertogdom terug te geven en wist met behulp 
van een leger zichzelven te doen erkennen. Toch verloren de 
Gelderschen hun hoop op verlossing niet : van den jongen 
Karel koesterden zij de beste verwachtingen. Gelijk wij in de 
vorige les zagen, was Maximiliaan in oorlog met de Franschen; 
toen nu de laatsten in een veldslag den jeugdigen Karel van 
Gelder gevangen namen, kregen de Gelderschen opnieuw moed. 
De Fransche koning, die Maximiliaan gaarne zooveel mogelijk 
afbreuk toebracht, gaf aan den wensch van het verdrukte Gel- 
dersche volk gehoor en liet Karel voor een aanzienlijken losprijs 
vrij. De dappere jongeling betrad in 1492 den bodem van 
Gelderland en begon met Fransche hulp den oorlog tegen het 
Oostenrijksche huis, dat met Filips den Schoonen aan de regee- 
ring was gekomen. Deze krijg, bekend onder den naam van 
Gelderschen oorlog, heeft 50 jaren geduurd en vele 
rampen en onheilen over deze landen gebracht. Hoewel Karel 
in den beginne gelukkig was en zelfs Utrecht, Friesland, 
Groningen, Drente en Overijsel veroverde, leed hij in het laatst 
gevoelige verliezen. Tegen den opvolger van Filips den Schoo- 
nen, den machtigen Karel den Vijfden, was de dappere Gel- 
dersche hertog niet bestand; wel behield hij nog Gelder en 
Zutfen, maar zijn opvolger, Willem van Gulik, moest zijn 
gebied in 1543 aan Karel V afstaan. 

Ook in Utrecht was het niet altijd rustig, vooral niet, omdat 
de Hollandsche graven ook daar veel invloed wilden uitoefenen. 
Die invloed was vooral groot onder bisschop David van Bour- 
gondië, die tijdens het bestuur van zijn vader Filips den Goeden 



47 

en zijn broeder Karel den Stouten in Utrecht regeerde. Toen 
de laatste bij Nancy gesneuveld was, kon de Bisschop zich 
niet langer staande houden en moest naar Wijk-bij-Duurstede 
vluchten. Een zijner getrouwste bevelhebbers was Jan van 
Schaffelaar, die te Barneveld zijn leven edelmoedig voor de 
zijnen opofferde (1482). In het volgend jaar herstelde Maximi- 
liaan van Oostenrijk den Bisschop wel weer in diens gezag, 
maar de laatste moest daarbij veel van zijn macht aan den 
eerste afstaan. De opvolgers van David van Bourgondië ver- 
loren steeds meer in aanzien, zoodat ten slotte hun wereldlijk 
gebied eveneens in het bezit van Karel V kwam (1528). 

Niet minder hevig dan de twisten in Holland was de burger- 
oorlog, die Friesland jarenlang teisterde. De partijen heetten 
daar Schieringers en Vetkoopers: de eersten waren de 
minder gegoeden, de laatsten de rijken. Roof en doodslag 
kwamen dagelijks voor en de gruwelijkste verwoestingen wer- 
den aangericht. Bovendien werd het land herhaaldelijk door 
overstroomingen bezocht, die vaak aan duizenden goed en 
leven kostten. Alleen als er een vijand hun grenzen naderde, 
vergaten de Friezen voor een oogenblik hun twisten, om hem 
als één man op te wachten. Toch moesten ook zij ten laatste 
hun vrijheid verliezen; de machtige Karel V wist zich ook in 
Friesland als heer te doen erkennen (1524). 

1. Wien zou men den Gelderschen Floris V kunnen noemen? 

2. Welke partijen had men in Gelderland? 

3. Wat weet ge van Adolf van Gelder? 

4. Waarom stond Arnoud zijn hertogdom aan Karel den Stouten af? 

5. Welk gevolg had de dood van Karel den Stouten in Gelderland en 
ook in Utrecht? 

6. Waardoor was de Hollandsche invloed in Utrecht juist tijdens bisschop 
David zoo groot? 

7. Wat weet ge van Jan van Schaffelaar? 

8. Welke partijen waren er in Friesland? 

9. Wat verstaat men onder den Gelderschen oorlog en wanneer 
eindigde hij? 

10. Onder welken hertog bezat Gelderland den meesten invloed? 



48 
19. Filips de Schoone en Karel de Vijfde. 

Filips de Schoone was bij den dood zijner moeder nog te 
jong om te regeeren en daarom nam zijn vader Maximiliaan 
van Oostenrijk het bestuur voor hem waar. Deze had zeer 
veel te stellen met de oproerige Vlamingen, die hij niet dan 
met groote moeite bedwong. Ook braken in Zuid-Holland en 
Zeeland de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten opnieuw uit, 
doordat de edelen ontevreden waren geworden over de vele 
voorrechten, welke de steden in den laatsten tijd hadden ver- 
kregen. Zij verbonden zich met de ontevreden Utrechtenaren, 
die hun Bisschop hadden verdreven, en veroverden zelfs Rot- 
terdam en Sluis. Doch Albrecht van Saksen, de bekwame 
veldheer van Maximiliaan, bracht hen in 1492 voor goed tot 
onderwerping. Na dien tijd is er van Hoeksche of Kabeljauw- 
sche twisten geen sprake meer geweest. 

Kort te voren was er in Noord-Holland een ander oproer 
uitgebarsten, de opstand van het Kaas- en Broodvolk ge- 
naamd. Duurte der levensmiddelen en zware belastingen brach- 
ten de boeren tot wanhoop; zij vereenigden zich te Alkmaar 
en trokken met vaandels, waarop een kaas en een brood ge- 
schilderd waren, plunderend het land rond. Haarlem had veel 
van hen te lijden, doch een aanval op Leiden mislukte. Ook deze 
opstand werd door Albrecht van Saksen in 1492 onderdrukt. 

Toen Maximiliaan in 1493 tot keizer van Duitschland was 
verkozen, aanvaardde Filips de Schoone zelf de regeering. Hij 
huwde een Spaansche prinses, die van haar ouders geheel 
Spanje zou erven. Dit land bestond nl. uit twee koninkrijken: 
Arragon en Kastilië, en nu regeerde haar vader over het eerste 
en haar moeder over het tweede rijk. De zoon van Filips zou 
dus een machtig vorst worden: van zijn vader moest hij de 
Oostenrijksche, Bourgondische en Nederlandsche gewesten 
erven en van zijn moeder geheel Spanje. Die zoon was Karel 
de Vijfde, welke zijn vader in 1506 opvolgde. Daar hij slechts 
zes jaren oud was, nam zijn grootvader Maximiliaan ook voor 



49 

hem het bestuur waar. In 1 5 1 5 aanvaardde hij zelf het bewind 
over de Nederlanden en in het volgende jaar over Spanje. 
Bovendien werd hij tot keizer van Duitschland gekozen, terwijl 
ook Amerika, dat in 1492 door Columbus ontdekt was, tot 
zijn gebied behoorde. 

Zulk een machtig vorst was Karel V; het behoeft ons dus 
niet te verwonderen, dat hij weldra al de Nederlandsche ge- 
westen onderwierp. Gelijk wij reeds gezien hebben, verkreeg 
hij achtereenvolgens Friesland, Utrecht, Overijsel en Groningen 
en toen hij in 1543 ook Gelderland veroverde, was hij Heer 
van al de 17 Noord- en Zuidnederlandsche gewesten. 

Al was Karel ook meestal gelukkig in de talrijke oorlogen, 
die hij voerde, toch heeft hij niet veel genoegen van zijn regee- 
ring beleefd. Dit kwam hoofdzakelijk door de Kerkhervor- 
ming, die in Duitschland door het optreden van Maarten 
Luther was ontstaan (15 17) en o. a. ook in ons land aan- 
hangers vond. Karel was wel niet onverdraagzaam, maar hij 
meende, dat een scheuring in de Kerk ook zijn staten ?ou 
verbrokkelen. Daarom ging hij de aanhangers van den nieuwen 
godsdienst, welke zich Protestanten noemden, streng te keer 
en menigeen moest voor zijn geloof het leven op den brand- 
stapel verliezen. 

Toch was zijn bestuur zeer weldadig; hij bevorderde handel 
en nijverheid, liet overal dijken aanleggen, schafte vele privi- 
legiën af, die slechts voor enkelen voordeelig waren, bracht 
daardoor meer eenheid in het bestuur en zorgde zooveel moge- 
lijk voor de veiligheid van personen en' goederen. Daarenboven 
was hij zeer voorkomend en vertoefde graag in deze landen, 
waar hij geboren was. Het geheele Nederlandsche volk vernam 
dan ook met leedwezen, dat hij afstand van de regeering 
wenschte te doen. Hij leed nl. aan jicht en een pijnlijke maag- 
kwaal, die ieder jaar erger werd; bovendien vond hij het on- 
aangenaam, dat hij in Duitschland den nieuwen godsdienst 
niet had kunnen tegengaan. Daardoor werd hij de regeering 
moede en deed in 1555 te Brussel plechtig afstand ten be- 
pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6e druk. 4 



5° 



hoeve van zijn zoon Filips. In het volgende jaar droeg hij 
aan hem ook de kroon van Spanje over en stierf in 1558 in 
het klooster St.-Yuste, in het westen van Spanje gelegen. 




8, 



c 
o 

e 

V 

« 
2 
"3 
w 



In Duitschland en de Oostenrijksche erflanden was zijn 
broeder hem opgevolgd. 



5 1 

Het bestuur van Karel V was voor ons land over het alge- 
meen een tijdperk van groote welvaart. Wij zullen eens zien 
waardoor. 

Reeds vroeg gingen onze visschers op de haringvangst 
uit. Sedert Willem Beukelszoon van Biervliet omstreeks 1350 
een middel had uitgevonden, om de visch langer dan tot nog 
toe tegen bederf te bewaren (haringkaken), behoefde zij 
niet versch meer gegeten te worden en kon men ze dus ook 
naar andere landen verzenden. Voor dat kaken was veel zout 
noodig, dat onze schippers o. a. uit Frankrijk en Portugal 
gingen halen. Op de heenreis namen zij onze gezochte boter en 
kaas mede, terwijl zij op de terugreis de voortbrengselen uit 
de genoemde landen medebrachten, om ze hier weer te ver- 
koopen. Doch weldra voorzagen zij ook andere volken van die 
waren en zoo werd ons land de groote marktplaats van Europa. 
Ook namen de andere natiën bij voorkeur onze schippers als 
vrachtvaarders in dienst, zoodat dit alles aan duizenden een 
ruim bestaan verschafte. 

Ten tijde van Karel V bijv. leverde de haringvangst met 
haar 1500 schepen jaarlijks ruim 2 millioen gulden op en was 
Antwerpen de rijkste koopstad van Europa. Dikwijls lagen er 
op de Schelde meer dan 2500 schepen en wekelijks vertrokken 
2000 vrachtwagens naar Frankrijk en Duitschland. Amsterdam 
dreef reeds een levendigen handel in hout en graan. Ook had 
men hier tengevolge der drukke scheepvaart vele bloeiende 
scheepstimmerwerven ; bovendien waren de laken- en linnen- 
fabrieken van Leiden en Haarlem zeer beroemd. 

Nu de poorters zoo rijk werden, spreidden zij veel pracht 
ten toon, niet alleen in kleeding, maar ook in hun huizen. Deze 
waren nu van steen en met pannen gedekt en het geoliede 
papier van voorheen was thans voor goed vervangen door 
glazen ruitjes. De straten waren geplaveid en dus veel zuide- 
lijker dan voorheen. Kerken, stad- en gildehuizen wedijverden 
met elkander in pracht; niet minder fraai waren de woningen 
van de vele edelen, die hun kasteelen hadden verlaten, daar 



52 

zij voortaan liever in de stad verblijf hielden. Op het platte- 
land leefde thans een vrije bevolking, die door landbouw en 
veeteelt een goed bestaan vond, al was de welvaart hier nog 
niet zoo groot als in de steden. De boer kon thans zijn boter 
en kaas, vee. en granen naar de markt in de' stad voeren, zeer 
tot zijn voordeel. Jammer, dat hij nog vaak last had van bede- 
laars en landloopers, al vaardigde de Keizer tegen hen ook 
strenge plakkaten uit. 

Nog altijd, helaas! was het bijgeloof niet uitgestorven; dat 
ondervonden zij, die men van tooverij en hekserij ver- 
dacht ; op wreedaardige wijze werden zij gemarteld, om daarna 
levend verbrand of verdronken te worden. 

i. Welk stamhuis kwam met Filips den Schoonen aan de regeering'? 

2. Wat maakte voor Maximiliaan de voogdij moeilijk? 

3. Hoe lang hebben de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten geduurd'? 

4. Waardoor ontstond het oproer van het Kaas- en Broodvolk? Hoe 
kreeg het dien naam? 

5. Vertel eens, hoe Nederland aan Spanje gekomen is. 

6. Noem eens al de landen van Karel V, die ge kent. 

7. Op welke wijze trachtte Karel V de Hervorming tegen te gaan? 

8. Vergelijk het bestuur van Karel V met dat van Filips den Goeden. 

9. Waarom deed Karel afstand van de regeering? 

10. Hoe is de haringvangst de oorzaak van onzen handel geworden? 

11. Waarmede werd veel geld verdiend? 

12. Wat weet ge van de steden uit dien tijd? 

13. Zeg ook een en ander van het platteland. 



20. Filips de Tweede. 

Filips de Tweede, gelijk hij als koning van Spanje gewoonlijk 
heet, vertoefde na zijn inhuldiging als heer der Nederlanden 
nog vier jaren in deze gewesten en vertrok toen voor goed 
naar Spanje. Bij zijn vertrek stelde hij over het geheele land 
zijn halfzuster Margareta van Parma als Landvoogdes aan, 
terwijl hij het bestuur over de afzonderlijke gewesten aan eenige 
stadhouders opdroeg. Zoo benoemde hij over Holland, Zeeland 
en Utrecht den prins Willem van Oranje, die weldra veel van 
zich zou doen hooren. Deze vorst stamde af van een Duitsch 
geslacht, dat over het graafschap Nassau-Dillenburg regeerde. 



53 

Van een neef erfde hij reeds vroeg het prinsdom Oranje, in 
Frankrijk gelegen, benevens verscheidene bezittingen in ons 
land. Hij werd opgevoed aan het hof van Karel V, die hem 
zeer genegen was en den vluggen knaap tot een bekwaam 
staatsman heeft gevormd. Door zijn huwelijk met een Neder- 
landsche edelvrouw breidde hij zijn bezittingen in oiis land 
nog aanzienlijk uit. 

Twee andere voorname edelen uit die dagen waren de graven 
van Egmond en van Hoorne, waarvan de eerste stadhouder 
was over twee Belgische gewesten en de laatste als admiraal 
Filips met een vloot naar Spanje had overgebracht. Ook waren 
de drie genoemde edelen leden van den Raad van State, 
welke de Landvoogdes in de regeering moest bijstaan en 
waarvan de kardinaal de Granvelle voorzitter was. 

Al spoedig bleek het, dat Filips niet zoo zou regeeren, als 
zijn vader had gedaan. Het was zijn doel, geheel en al onbe- 
perkt te kunnen heersenen, waardoor hij natuurlijk de vele 
voorrechten der Nederlanders moest schenden, zelfs zulke, 
welke door Karel V nog ontzien waren. Ook achtte hij het zijn 
duren plicht, den nieuwen godsdienst te vuur en te zwaard uit 
te roeien en strafte daarom de Hervormden veel strenger, dan 
zijn vader had gedaan. Bovendien was hij geheel en al Span- 
jaard en verstond hij niet eens de Nederlandsche taal. Dit alles 
veroorzaakte groote ontevredenheid, vooral ook onder de 
edelen, die veel van hun invloed op de regeering moesten ver- 
liezen. De meeste zaken toch werden al heel spoedig alleen 
door Granvelle afgedaan, die bij den Koning in hooge gunst 
stond. Daarom verklaarden Oranje, Egmond en Hoorne, niet 
meer in den Raad van State te willen komen, zoolang Gran- 
velle niet vertrokken was. Toen de Koning hem, hoewel noode, 
eindelijk ontsloeg, dacht men, dat de ontevredenheid zou op- 
houden, daar men aan Granvelle het strenge bestuur van Filips 
had geweten. De zaken bleven echter, zooals ze waren, ook 
zelfs nadat Egmond naar Spanje was geweest, om den Koning 
tot zachtheid over te halen. Thans sloten verscheidene edelen 



54 

een verbond met elkander, ten einde te verkrijgen, dat Filips 
de straffen tegen de Hervormden zou verzachten (1565). Met 
dat doel kwamen zij in het volgende jaar, ten getale van ruim 
300, te Brussel bijeen, trokken in een plechtigen optocht naar 
het paleis der Landvoogdes en boden haar een verzoekschrift 
aan, dat echter niet het gewenschte gevolg had. Zelfs noemde 
een van Margareta's edelen hen Geuzen of bedelaars, een 
scheldwoord, dat voortaan als een eeretitel werd aangenomen 
door allen, die tegen het strenge bestuur van Filips waren. 
Toen de Koning met dezelfde gestrengheid bleef regeeren, 
steeg de ontevredenheid onder den adel en het volk al hooger 
en hooger, terwijl er zelfs hier en daar oproerige bewegingen 
ontstonden. De Landvoogdes werd radeloos en verzocht den 
Koning dringend, zelf over te komen. Maar eer Filips kon 
antwoorden, had er iets plaats, dat aan de zaken een geheel 
andere wending gaf. Een woeste menigte drong nl. de kerken 
binnen en vernielde alles, wat haar onder de handen kwam; in 
enkele dagen ondergingen zoowel in België als in ons land 
ruim 300 kerken dit lot. Deze gebeurtenis, waarbij zooveel 
schoons verloren ging, noemt men den Beeldenstorm 
(1566). Toen Margareta met behulp van Oranje, Egmond en 
Hoorne de voornaamste belhamels gestraft had, ried zij den 
Koning" aan, geen vervolgingen meer tegen de bedrijvers in 
te stellen, om de algemeene ontevredenheid niet te doen toe- 
nemen. Doch Filips was zoo woedend geworden, dat hij den 
hertog van Alva met een groot leger hierheen zond, om de 
Nederlanders ten strengste te straffen. Op de tijding hiervan 
verlieten duizenden het land, waaronder ook de prins van 
Oranje, die naar Duitschland uitweek. Margareta nam haar 
ontslag en onmiddellijk volgde Alva haar in de landvoogdij op. 

1. Hoe deed Filips de reis naar Spanje? 

2. Waar had Willem van Oranje bezittingen en welke waardigheid ver- 
kreeg hij van Filips? 

3. Noem eens drie andere voorname personen uit dien tijd. 

4. Waarom was Filips niet bij de Nederlanders bemind? 

5. Hoe weet ge, dat de edelen veel van hun invloed op de regeering verloren ? 



55 

6. Waarom wilden zoowel de edelen als het volk Granvelle verwijderd 
hebben ? 

7. Waartoe werd het verbond der edelen opgericht? 

8. Waaruit blijkt, dat Margareta meer naar den zin van het volk wilde 
regeeren dan Filips? 

9. Welk gevolg had de Beeldenstorm? 
10. Met welk doel kwam Alva hier? 



21. Alva in de Nederlanden (1567 1573). 

Nauwelijks was Alva hier aangekomen, of hij stelde een recht- 
bank in, welke onderzoek moest doen naar de aanleggers der 
voorgevallen beroerten of ongeregeldheden. Die Raad van 
Beroerten, zooals Alva zijn rechtbank noemde, ging zoo 
streng te werk en veroordeelde zooveel menschen ter dood, 
dat het volk die rechtbank den naam van Bloedraad gaf. 
Ook de graven van Egmond en Hoorne werden verraderlijk 
gevangen genomen, voor den Raad van Beroerten gebracht 
en weldra ter dood veroordeeld. De Prins werd eveneens voor 
deze rechtbank opgeroepen, maar hij verscheen niet; toch 
werden zijn goederen, evenals die van alle andere gevonnisten, 
ten voordeele van de schatkist verbeurd verklaard. Thans be- 
sloot Willem van Oranje alles in het werk te stellen, om het 
verdrukte volk te hulp te komen. Hij en zijn broeders ver- 
kochten hun kostbaarheden en wierven een leger aan, waarmee 
zij op verschillende plaatsen Nederland wilden binnendringen. 
Daar deze invallen niet gelijktijdig plaats hadden, richtten zij 
weinig uit; alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noor- 
den des lands een overwinning. Hij versloeg nl. bij Heiligerlee 
den Spaanschen bevelhebber Aremberg, die in den slag sneu- 
velde, evenals Adolf van Nassau. Lodewijk hoopte na deze 
zegepraal de stad Groningen te veroveren, doch werd hierin 
teleurgesteld, doordat de bevolking zelve nog niet medehielp. 

Met den slag bij Heiligerlee (1568) rekent men, dat de strijd 
begint, dien de Nederlanders tachtig jaren lang tegen de 
Spanjaarden hebben volgehouden. 



56 



Nauwelijks had Aha van Lodewijks overwinning in het 
Noorden gehoord, of hij besloot hem vandaar te verdrijven. 

Om tijdens zijn af- 
wezigheid het zuiden 
schrik in te boezemen, 
liet hij de graven van 
Egmond en Hoorne, 
benevens vele andere 
edelen, onthoofden, en 
trok toen op het 
Noorden af. Lodewijk 
werd bij het dorp 
Jemmingen in Duitsch- 
land geheel verslagen, 
redde nog ternauwer- 
nood zijn leven en 
moest uit geldgebrek 
zijn troepen afdanken. 
Niet lang daarna trok 
ook de Prins met een 
leger over de Maas 
ons land binnen en 
hoopte Alva op zijn 
beurt te verslaan. 
Spaansch Edelman. Maar de Landvoogd 

ontweek telkens den strijd, zoodat Willem van Oranje zich ten 
laatste genoodzaakt zag, eveneens uit geldgebrek, zijn soldaten 
af te danken. Evenzoo had de aanslag, dien Herman de Ruiter 
twee jaar later op Loevestein deed, geen blijvend gevolg voor 
de Nederlanders (1570). 

Intusschen had Alva niet minder dan de Prins met geld- 
gebrek te kampen en daarom bedacht hij een middel, om 
zich geld te verschaffen. Had in vroeger tijden de vorst geld 
noodig, dan vraagde hij een bepaalde som van zijn onder- 
danen, of deed, zooals men zeide, een bede. Dat vond Alva 




57 

wel wat vernederend voor een koninklijk landvoogd, te meer 
daar de meeste steden het recht hadden, die beden te weigeren. 
Hij eischte daarom van alle Nederlanders het honderdste deel 
van de waarde hunner bezittingen, of, zooals men toenmaals 
zeide, den honderdsten penning. Om bovendien ook 
in het vervolg altijd geld te hebben, wilde hij tevens een vaste 
belasting invoeren en wel op de volgende wijze. Bij elke veiling 
van landerijen of huizen vorderde hij het twintigste deel der 
koopsom voor zich (den twintigsten penning), en bij 
het verhandelen van koopwaren het tiende deel der waarde 
(den tienden penning). Den honderdsten penning, die 
maar voor één keer gevraagd werd, wilden de Nederlanders 
wel toestaan; de beide andere, vaste belastingen echter, en 
vooral den tienden penning, weigerden zij, om hun handel niet 
te benadeelen. Ten einde hen er toch reeds aan te gewennen, 
liet Alva de beide vaste belastingen jaarlijks voor twee millioen 
gulden afkoopen. In 1572 echter besloot hij den gehaten tien- 
den penning desnoods met geweld in te voeren; doch onver- 
wachts had er een gebeurtenis plaats, die Alva dwong voor 
goed van zijn plan af te zien. We zullen daarover in een vol- 
gende les spreken. 

1. Waartoe stelde Alva een rechtbank in? 

2. Welke edelen werden o. a. door haar veroordeeld? 

3. Op welke wijze wilde de Prins de Nederlanden helpen ? 

4. Verklaar eens, waarom hij het land gelijktijdig van verschillende 
zijden wilde binnendringen. 

5. Waarom had Lodewijks overwinning geen blijvend gevolg? 

6. Met welk doel liet Alva, vóór zijn tocht naar het Noorden, zoovele 
edelen onthoofden? 

7. Hoe dwong hij Willem van Oranje het land weer te verlaten ? 

8. Welke stoute daad bedreef Herman de Ruiter? 

9. Hoe kwam Alva eerst aan geld? 

10. Waarom zouden de Nederlanders wel den toosten penning, maar niet 
de beide andere belastingen hebben willen toestaan? 



22. Algemeene opstand (1572). 

Gelijk wij zagen, waren bij de komst van Alva velen het 
land uitgeweken, om niet in zijn handen te vallen. Verscheidene 



58 

hunner hadden zich op zee begeven, ten einde in den zeeroof 
een middel van bestaan te vinden. Het bleek al spoedig, dat 
daarmede niet weinig te verdienen was, waardoor hun aantal 
nog dagelijks toenam. De Prins begreep, dat deze Water- 
geuzen, gelijk zij genoemd werden, hem goed konden dienen 
in den strijd tegen de Spanjaarden. Hij stond hun daarom het 
recht toe. van de Spaansche, zoowel als van andere schepen 
een belasting te vorderen, waarvoor zij dan die vaartuigen over 
de onveilig geworden zee moesten begeleiden. Een deel van 
deze opbrengsten kwam in handen van den Prins, die daar- 
mede den opstand tegen Spanje des te beter kon volhouden. 
Zulke Watergeuzen nu waren het, die op den isten April 
1572 onverwachts de stad Brielle veroverden en hierdoor aan 
verscheidene andere steden het sein gaven, eveneens de zijde 
van den Prins te kiezen. Tegelijkertijd werd met Fransche 
hulp de stad Bergen in België door Lodewijk van Nassau 
ingenomen, terwijl de Prins zelf aldaar nog eenige andere 
plaatsen veroverde. Door dit alles moest Alva de invoering 
van den tienden penning laten varen, daar hij genoeg te doen 
zou hebben met het onderwerpen der opgestane steden. In 
het Zuiden dempte hij zelf den opstand, waarbij o. a. Mechelen 
geheel werd uitgeplunderd, terwijl zijn zoon don Frederik het- 
zelfde in het Noorden beproefde. Vreeselijk hielden nu de 
Spanjaarden in Zutfen en Naarden huis; ook Haarlem moest 
zich, na een beleg van 7 maanden, aan hen overgeven (1573). 
Daarna trok het Spaansche leger Noord-Holland binnen, dat 
ook de zijde van den Prins gekozen had. Alkmaar werd be- 
legerd, maar hier begon voor de Nederlanders de victorie; 
immers de stad weerde zich zoo dapper, dat de Spanjaarden 
met een verlies van meer dan duizend man moesten aftrekken. 
Bovendien brachten de Watergeuzen hun op de Zuiderzee nog 
een gevoelige nederlaag toe, waarbij zelfs de Spaansche bevel- 
hebber Bossu werd gevangen genomen. — Na deze teleur- 
stellingen en verliezen wilden de Spanjaarden in Zuid-Holland 
hun geluk gaan beproeven en wel het eerst met de stad Leiden. 



59 

Alva gaf daartoe nog het bevel, doch het beleg zelf woonde 
hij niet meer bij, daar de Koning hem terugriep. Zes jaren 
was hij hier geweest, maar hij had door zijn strengheid zijn 
doel niet kunnen bereiken, ja, in plaats van het land tot rust 
te brengen, had hij een algemeenen opstand verwekt. Zijn 
opvolger, Requesens, tastte terstond Leiden aan en sloot het 
van alle kanten nauw in. Plotseling vernam hij, dat Lodewijk 
van Nassau een inval in Limburg had gedaan, en terstond trok 
het Spaansche leger voor Leiden weg, om 's Prinsen broeder 
te verdrijven. Bij het dorp Mook werd nu een slag geleverd, 
waarin de Spanjaarden overwonnen en Lodewijk en Hendrik 
van Nassau omkwamen. Het beleg van Leiden werd onmid- 
dellijk hervat tot grooten schrik der inwoners; zij hadden nl. 
geen tweede belegering verwacht en dus niet voor een vol- 
doenden voorraad van levensmiddelen gezorgd. Toch hield de 
stad zich dapper, en toen de Prins de dijken had laten door- 
steken en de wind eindelijk de golven naar de stad joeg, 
moesten de Spanjaarden het beleg na vijf maanden opbreken. 

i. Hoe kon de Prins zelfs van de Spanjaarden belasting heffen? 

2. Waardoor werd de inneming van het stadje Brielle zoo belangrijk? 

3. Noem eens eenige steden op, die de zijde van den Prins kozen. 

4. Hoe werd Alva verhinderd, den loen penning met geweld in te voeren? 

5. Wat werd door de dappere houding van Alkmaar voorkomen? 

6. Welke zeeslag werd geleverd en wie verloor den strijd? 

7. Waardoor was Leiden zoo slecht van levensmiddelen voorzien? 

8. Welke broeders van den Prins zijn in den strijd tegen Spanje ge- 
sneuveld? 



23. Pacificatie van Gent (1576). Unie van 
Utrecht (1579). 

Requesens, die met meer zachtheid dan Alva te werk ging, 
maakte zoovele veroveringen, dat de vrijgeworden steden voor 
nieuwe onderwerping begonnen te vreezen. Hij vermeesterde 
o. a. het eiland Schouwen, waardoor de zoo noodige verbinding 
tusschen de twee opgestane gewesten Holland en Zeeland ver- 
broken werd. Doch onverwachts stierf hij en zijn dood bracht 



6o 

een geheele verandering teweeg. Zijn soldaten, die nu zonder 
opperbevelhebber waren en in den laatsten tijd geen soldij 
hadden ontvangen, sloegen aan het muiten, om zich zelven 
geld te verschaffen. Zij trokken uit Zeeland naar Brabant en 
Vlaanderen, waar zij allerwegen schrikkelijk huishielden. Zelfs 
tot Maastricht drongen zij door, dat eveneens veel van hun 
plunder- en moordlust te lijden had. Het vreeselijkst echter 
ging het in de rijke koopstad Antwerpen toe : millioenen werden 
er geroofd en duizenden menschen verloren het leven er bij. 
Men noemt dit soldaten-oproer de Spaansche Furie (i 576). 

In dezen nood wendden zich Brabant en Vlaanderen tot den 
Prins, om hen te beschermen. Hij trok met eenige troepen die 
gewesten binnen en bezette de stad Gent. Reeds lang had hij 
gewenscht, een verbond tusschen de opgestane gewesten tot 
stand te brengen, om de Spanjaarden met vereende kracht te 
verdrijven ; doch de meeste provinciën en steden hadden daartoe 
nog niet kunnen besluiten. Thans echter zagen zij zoovele 
gruwelen van het Spaansche leger, dat zij niet langer draalden 
en te Gent bracht de Prins het gewenschte verbond tot stand. 
Bij deze Pacificatie van Gent, gelijk het verbond heette, 
beloofden zoowel de Noordelijke als de Zuidelijke gewesten, 
elkander trouw te zullen bijstaan, om de Spaansche troepen, 
waarvan het land zooveel te lijden had, te verdrijven. — Lang 
heeft deze Pacificatie niet geduurd; toen de nood geweken 
was, ontstonden er tusschen de verbonden provinciën oneenig- 
heden, waarvan de nieuwe landvoogd, de hertog van Parma, 
partij wist te trekken. Deze bekwame veldheer had al heel 
spoedig weder eenige Belgische gewesten veroverd, zoodat 
daarmede de Pacificatie teniet ging. 

Het was echter noodig, dat tegenover zulk een bekwaam 
veldheer de eendracht bewaard bleef; daarom werd op aan- 
raden van den Prins door diens broeder Jan van Nassau hoofd- 
zakelijk tusschen de Noordelijke gewesten een nauwere aan- 
eensluiting tot stand gebracht (1579). Tot deze vereeniging 
of Unie van Utrecht traden bijna al onze provinciën toe 



6i 

en in het Zuiden o. a. ook de steden Antwerpen, Gent en 
Brugge. Dit verbond heeft ruim twee eeuwen bestaan en is 
de oorzaak geweest, dat de Noordnederlandsche gewesten juist 
door de verkregen eendracht tot macht en aanzien kwamen. 
Reeds in het volgende jaar leed de Unie een belangrijk 
verlies door den afval van den graaf van Rennenberg, stad- 
houder der drie noordelijke gewesten. Voor een groote geldsom 
leverde hij de stad Groningen, geheel Drente en een deel van 
Overijsel aan den hertog van Parma over. Friesland en de 
landen om de stad Groningen, die ook wel de Ommelanden 
geheeten werden, bleven echter behouden, terwijl ook Steenwijk 
tevergeefs door Rennenberg belegerd werd. 

i. Waarin verschilde Requesens van Alva? 

2. Verklaar eens, waarom het verlies van het eiland Schouwen zoo ge- 
wichtig was. 

3. Welke belangrijke gevolgen had Requesens' dood? 

4. Waardoor ging de Pacificatie van Gent weer teniet'? 

5. Hoe weet ge, dat Parma niet geheel België tot onderwerping bracht? 

6. Waarom was de Unie van Utrecht zoo belangrijk? 

7. Welk verlies leed zij al spoedig? 

8. Waarom heeft men in Utrecht een standbeeld voor 's Prinsen broeder 
Jan van Nassau opgericht? 



24. Afzwering van Filips (1581). 

De Koning zag in Willem van Oranje niet ten onrechte den 
hoofdleider van den opstand. Kon hij den Prins voor zich 
winnen, dan zouden de opgestane gewesten zich spoedig moeten 
onderwerpen. Daarom beproefde Filips eerst, Oranje door 
zeer voordeelige aanbiedingen tot zijn zijde over te halen, en 
toen dit niet baatte, deed hij hem in den ban, d. w. z. de Prins 
werd vogelvrij verklaard. Tevens werden 25000 gouden kronen 
en brieven van adeldom als bloedprijs uitgeloofd en allen, die 
de zijde van Oranje hadden gekozen, voor oproermakers ge- 
houden en eveneens vogelvrij verklaard (1580). Thans besloten 
de gewesten, welke tot de Unie behoorden, den Koning niet 
langer te gehoorzamen : het volgende jaar zwoeren zij hem 



62 

dan ook plechtig als hun heer af. Holland en Zeeland verkozen 
nu den Prins tot hun oppersten bestuurder, terwijl de andere 
gewesten, waartoe ook Brabant en Vlaanderen behoorden, den 
hertog van Anjou, broeder van den Franschen koning, als 
opperheer erkenden. In het volgende jaar verscheen Anjou 
reeds met een leger, maar hij stelde onze verwachtingen bitter 
te leur. Hij was nl. ontevreden over de beperktheid zijner 
macht en daarom liet hij door zijn leger verraderlijk eenige 
steden in België veroveren. In eigen persoon beproefde hij een 
aanslag op Antwerpen, maar de burgers dreven den trouwe- 
loozen vorst zoo krachtig terug, dat er 1500 Franschen sneu- 
velden en even zooveel gevangen werden genomen. De Prins, 
die den Hertog tot opperheer had aanbevolen, geraakte in 
groote moeilijkheid en wist niet, wat met hem te doen. Ge- 
lukkig keerde Anjou, die wel inzag, dat hij het vertrouwen 
verloren had, spoedig naar Frankrijk terug, waar hij reeds in 
1584 overleed. Thans wilde men den Prins tot erfelijk graaf 
over Holland en Zeeland verheffen, en reeds was de dag tot 
zijn inhuldiging bepaald; doch twee dagen te voren (10 Juli 
1584) werd hij door Balthasar Gerards te Delft doodgeschoten. 
De booswicht werd gegrepen en op een onmenschelijke wijze 
om het leven gebracht; zijn familie ontving het toegezegde 
loon voor zijn misdaad. Hij was niet de eenige sluipmoordenaar, 
die een aanslag op het leven van den Prins waagde; twee 
jaren te voren nog had een zekere kantoorbediende, Jean 
Jauregui, te Antwerpen den Prins een gevaarlijke wonde toe- 
gebracht, waarvan hij echter spoedig was hersteld. 

Groot was de verwarring door den dood van den Prins ont- 
staan; hiervan maakte de bekwame veldheer Parma gebruik, 
om de Zuidelijke Nederlanden te onderwerpen ; Antwerpen was 
de laatste stad, die zich, na een beleg van 14 maanden, aan 
hem moest overgeven. Vele handelaars en fabrikanten, o. a. 
de diamantslijpers, verlieten nu deze koopstad en vestigden 
zich te Amsterdam, dat van toen af zeer in bloei en aanzien 
toenam. Sedert dien tijd (1585) werden Noord- en Zuid-Neder- 




<ü 



T3 



-o 

V 

5 



64 

land voor goed gescheiden : België keerde terug tot de gehoor- 
zaamheid aan den Koning, de Noord-Nederlanders daarentegen 
zetten alleen den strijd voort. Toch meenden zij zonder buiten- 
landschc hulp niet sterk genoeg te zijn, en daarom boden zij 
aan Elizabeth. koningin van Engeland, de regeering over ons 
land aan. Zij weigerde dit wel, maar zond toch in 1585 den 
graaf van Leicester, die ons met een leger zou bijstaan en 
den titel van Landvoogd ontving. Doch het ging met hem 
evenals met zijn voorganger Anjou : ook hij wenschte meer 
macht te bezitten. Om zich die te verschaffen, beproefde hij 
een aanslag op Amsterdam, doch toen die poging mislukte, 
verliet hij teleurgesteld ons land. Men zag hem hier met 
vreugde vertrekken; zijn leger had zoo goed als niets uit- 
gericht, ja, door een paar zijner officieren was zelfs de stad 
Deventer verraderlijk aan de Spanjaarden overgeleverd. De 
Nederlanders hadden nu genoeg van vreemde hulp; in het 
volgende jaar, 1588, besloten zij geen vorst meer te willen 
verkiezen en vormden van toen af een Republiek. 

1. Welk belangrijk gevolg had al spoedig de Unie van Utrecht'? 

2. Wat gaf aanleiding tot de afzwering? 

3. Vertel eens iets van Anjou. 

4. Waarom, denkt ge, zou de Prins eerst vóór Anjou geweest zijn? 

5. Welke gevolgen had de uitloving van den bloedprijs door Filips? 

6. Waardoor kon Parma zoo gemakkelijk de Zuidelijke Nederlanden 
veroveren ? 

7. Welke stad in ons land had er veel voordeel bij? 

8. Waarom boden wij Elizabeth van Engeland de opperheerschappij aan? 

9. Vertel iets van Leicester. 

10. De Nederlanders zwoeren Filips niet af, omdat zij liever geen vorst 
hadden. Waaruit kunt ge dat afleiden? 

11. Wanneer begon de Republiek? 



25. Inrichting der Republiek. 

De Republiek der Vereenigde Nederlanden, ge- 
lijk ons land voortaan heette, bestond uit de volgende zeven 
gewesten : Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, 
Friesland en de Ommelanden ; ook behoorde Drente er toe, 



65 

maar dit was weinig in aanzien, zooals we straks zullen hooren. 
Elk gewest afzonderlijk vormde op zich zelf weer een republiek, 
die door eenige heeren, de Provinciale Staten geheeten, 
bestuurd werd. Deze Staten waren samengesteld uit eenige 
edelen en uit de afgevaardigden van de aanzienlijkste steden; 
de laatste waren echter veel machtiger dan de adel of ridder- 
schap. In de Staten van Holland b.v. konden over de ver- 
schillende besluiten negentien stemmen worden uitgebracht, 
waarvan er 18 aan de steden toekwamen en slechts één aan 
de ridderschap. De Staten, van elk gewest kozen een stad- 
houder, die hun besluiten moest uitvoeren en het opperbevel 
had over hun leger en vloot. Reeds een jaar na den dood van 
Willem van Oranje benoemden de Staten van Holland en 
Zeeland zijn achttienjarigen zoon, prins Maurits, tot hun stad- 
houder ; later werd hij het ook van de andere gewesten, behalve 
van Friesland. De Staten van deze provincie hadden steeds 
hun eigen stadhouders, die afstammelingen waren van Jan 
van Nassau, den broeder van prins Willem. 

In de steden werd de regeering de vroedschap genoemd : 
zij bestond uit twee of vier burgemeesters, twaalf sche- 
penen en twaalf of meer raadsleden. Voor de veiligheid 
in de stad zorgde de schout met een burgemeester en de 
schepenen, die gezamenlijk de misdadigers moesten straffen. 
De leden der vroedschap werden uit de gegoede burgers ge- 
kozen ; moest er een nieuw lid benoemd worden, dan wees de 
vroedschap daarvoor een tweetal personen aan, waaruit de 
stadhouder een keuze mocht doen. Ook de schout werd door 
hem benoemd. 

De geheele republiek werd bestuurd door een aantal heeren, 
Staten-Generaal geheeten, welke door de Provinciale 
Staten gekozen werden. Zij vergaderden in Den Haag, meestal 
ten getale van vijftig. Moest er een of ander besluit genomen 
worden, dan had elk der zeven gewesten één stem. Drente 
mocht geen heeren zenden en had dus volstrekt geen invloed. 
De Staten-Generaal verklaarden uit naam der geheele Repu- 
pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6e druk. 5 



66 

bliek aan een buitenlandsch rijk den oorlog en sloten er vrede 
of andere verdragen mee. Ook hadden zij het oppertoezicht 
over het leger en de vloot der Republiek, waarover zij den 
stadhouder van Holland tot opperbevelhebber aanstelden, of, 
gelijk zij het noemden, tot kapitein-generaal en admi- 
raal der Unie. Om de kosten van die krijgsmacht en andere 
zaken te kunnen betalen, hieven de Staten-Generaal van alle 
gewesten een belasting, waarvoor iedere provincie naar haar 
vermogen moest bijdragen. Van elke ioo gulden, die men 
noodig had, betaalde Holland alleen reeds 58 gulden, Fries- 
land 1 1 en de andere gewesten alle minder dan 1 1 gulden ; 
Drente droeg slechts 1 gulden bij. Om die belastingen elk 
jaar vast te stellen en tevens te zorgen voor een voldoend 
aantal soldaten en matrozen, het bouwen van oorlogsschepen, 
enz. werd een Raad van State benoemd, die uit twaalf 
leden bestond. Zij werden door de zeven provinciën verkozen, 
en wel zoo, dat het gewest, hetwelk de meeste belasting be- 
taalde, ook de meeste leden mocht zenden. 

Iedere provincie stelde een rechtsgeleerde aan, die de Staten 
van dat gewest moest voorlichten. Die raadsman heette in 
Holland raadpensionaris; hij had niet alleen in zijn eigen 
provincie, maar ook in de geheele republiek veel invloed. 

1. Uit hoeveel gewesten bestond de Republiek'? 

2. Waaruit blijkt, dat Drente dun bevolkt was, en waaruit ziet ge dat 
het weinig te zeggen had? 

3. Waaruit blijkt dat Holland de aanzienlijkste provincie was'? 

4. Wat waren de Provinciale Staten en hoe werden zij gekozen '? 

5. Hoe blijkt u, dat de edelen weinig invloed meer hadden? 

6. Wat waren de vroedschappen en waaruit bestond de stedelijke 
rechtbank? 

7. Hoeveel stemmen werden in de Staten-Generaal uitgebracht? 

8. Waartoe diende de Raad van State, en waarom zond Holland er meer 
leden dan één der andere gewesten heen? 

9. Wat was een raadpensionaris'? 

10. Waarvoor had men een Stadhouder en hoeveel waren er? 



6 7 
26. De Onoverwinnelijke Vloot (1588). 

De hertog van Alva, die ons land in 1573 onverrichterzake 
had verlaten, slaagde beter in Portugal, dat hij in 1580 voor 
Filips veroverde. Daar de Portugeezen een zeevarend volk 
waren, hadden zij een sterke vloot, die natuurlijk ook in het 
bezit van Filips kwam. Dit bracht hem op de gedachte, Neder- 
land van de zeezijde aan te vallen en tevens Engeland te ver- 
overen, tot straf voor de hulp, die Elizabeth ons gezonden 
had. De Koning rekende echter de Portugeesche vloot voor 
die onderneming niet sterk genoeg en daarom liet hij er nog 
tal van geduchte oorlogsschepen bij bouwen. In 1588 was de 
vloot gereed; zij telde 130 schepen, 3000 kanonnen en 30000 
matrozen; aan uitrusting kostte zij 60 millioen gulden en aan 
dagelijksch onderhoud 90 duizend. Die geduchte vloot, meende 
Filips, zou Nederland en Engeland gemakkelijk in één slag 
kunnen veroveren; ook het Spaansche volk rekende zóó stellig 
op het welslagen der onderneming, dat de vloot bij voorbaat 
de Onoverwinnelijke genoemd werd. De hertog van 
Parma kreeg bevel, zich met 32 schepen en 40000 man in de 
haven van Duinkerken gereed te houden, om zich eveneens 
bij de vloot te voegen en het opperbevel te aanvaarden. 

De Engelschen en Nederlanders verloren echter den moed 
niet; onze vlootvoogden Johan van Wassenaar en Justinus van 
Nassau sloten Parma in de haven van Duinkerken op, zoodat 
de admiraal der onoverwinnelijke vloot, de hertog van Medina 
Sidonia, te vergeefs in het Kanaal op hem wachtte. Dat was 
reeds de eerste teleurstelling voor Medina Sidonia, die boven- 
dien een onbekwaam en lafhartig man was. De Engelsche 
schepen onder Howard en Drake zeilden de geduchte vloot 
tegemoet en brachten er al spoedig door eenige branders 
groote verwarring onder. De reusachtige Spaansche schepen 
konden zeer moeilijk wenden, zoodat zij zelfs elkander schade 
toebrachten. Medina Sidonia besloot daarom, weer naar Spanje 
terug te keeren en wel langs de kusten van Schotland en 



68 

Ierland heen. om de gevreesde Engelsche en Nederlandsche 
schepen te ontgaan. Doch hier overviel hem zulk een hevige 
storm, dat hij met slechts veertig en nog wel sterk gehavende 
schepen in Spanje terugkwam. • 

De ondergang van deze Onoverwinnelijke Vloot, ook wel de 
Armada geheeten, had zoowel voor ons land als voor Spanje 
gewichtige gevolgen. Was Engeland veroverd geworden, dan 
had de Koning ook onze Republiek ongetwijfeld weer onder- 
worpen, want hij zou dan tevens in het bezit der Engelsche 
vloot gekomen zijn. Doch nu werd Spanjes zeemacht voor 
langen tijd vernietigd en was daardoor de zee voor ons veilig; 
voortaan kon zich derhalve onze zeehandel beter ontwikkelen, 
dan tot nog toe in den oorlog het geval was geweest. 

i. Waardoor maakte Alva zich later bij den Koning verdienstelijk ? 

2. Waarom wilde Filips een vloot op Engeland afzenden'? 

3. Waarom was Medina Sidonia niet zeer geschikt als admiraal der 
Armada? 

4. Welke bevelhebbers voerden onze vloot aan? 

5. Welk aandeel hadden de Nederlanders in 't mislukken der onderneming? 

6. Noem eens de verschillende oorzaken op, die den ondergang der 
Armada bewerkten. 

7. Welke gevolgen had die ondergang voor ons land en voor Spanje ? 



27. Veroveringen van prins Maurits (1590 1600). 

Na de nederlaag der Armada begint een voorspoedig tijdperk 
in den Tachtig jarigen Oorlog, want van nu af behaalden wij 
de eene overwinning na de andere. Niet weinig was dit te 
danken aan de bekwaamheid en het beleid van den jongen 
stadhouder, prins Maurits, die door ijverige studie verschillende 
verbeteringen in het vaak wanordelijke leger wist te brengen. 
Zijn roem als veldheer drong zelfs tot in andere landen door, 
zoodat vele vreemde officieren van hem de krijgskunst kwamen 
leeren. Een bijzondere omstandigheid droeg er niet weinig toe 
bij, dat Maurits weldra zulke talrijke veroveringen maakte. De 
koning van Spanje vleide zich namelijk met de hoop, voor zijn 
dochter Isabella de kroon van Frankrijk te verwerven. Daartoe 




69 

moest de zoo bekwame veldheer Parma het grootste deel zijner 
troepen in Frankrijk gebruiken, zoodat de meeste Nederland- 
sche steden, die nog in de macht der Spanjaarden waren, 

geen voldoende bezetting 
^ behielden, om zich te kunnen 

verdedigen. Bovendien be- 
wees de raadpensionaris van 
Holland, johan van Olden- 
barnevelt, door zijn be- 
kwaamheid het land groote 
diensten; hij leidde vooral 
de staatszaken en dus kon 
Maurits zich uitsluitend met 

M . het oorlogvoeren bezig- 

Musketier. ° ° 

houden. 

Maurits was voornemens al de grenssteden te veroveren, om 
op die wijze de Republiek een sterken muur te verschaffen, 
waarachter zij veilig lag voor de aanvallen der Spanjaarden. 
Hij begon met de bekende verrassing van Breda (1590), en in 
het volgende jaar stond hij onverwachts voor de poorten van 
Zutfen, dat hij in vijf dagen veroverde. Nog denzelfden avond 
lag hij met zijn leger voor Deventer, dat zich eveneens spoedig 
aan hem moest overgeven. Daarna trok hij tegen Groningen 
op, de gewichtigste stad in het Noorden, die nog steeds in de 
handen der Spanjaarden was gebleven. De aanslag mislukte, 
maar toch werd Delfzijl genomen. 

Om de Spanjaarden uit het sterke Nijmegen te lokken, viel 
Maurits in Zeeland en vermeesterde Hulst. De list gelukte; 
want toen de Prins onverwachts voor Nijmegen verscheen, 
had deze gewichtige stad geen genoegzame bezetting meer 
en moest zich daarom spoedig overgeven. 

In 1592 trok Maurits opnieuw naar het Noorden en sloeg 
het beleg voor Steenwijk. Deze stad was twee jaren na de 
dappere verdediging tegen Rennenberg toch door de Span- 
jaarden genomen, die van hier uit door hun rooverijen de 



7° 



Zuiderzee onveilig hadden gemaakt. Ook Steenwijk moest zich 
overgeven, evenals de vesting Koevorden. In het volgend jaar 
behaalde Maurits veel roem met de inneming van Geertruiden- 
berg en in 1594 had eindelijk de lang gewenschte verovering 
van de stad Groningen plaats, waardoor de beide provincies 
Groningen en Drente weer geheel tot de Unie werden ge- 
bracht. Bij dit beleg 
werd Maurits bijge- 
staan door zijn neef 

Willem Lodewijk, 
stadhouder van Fries- 
land, aan wien ook 
dezelfde waardigheid 
over de nieuwe ge- 
westen werd opge- 
dragen. Eindelijk ver- 
overde Maurits in 
1597 nog Groenloo, 

Enschede, Ootmarsum 
Ruiters uit Maurits' leger. .->., , , 

en Oldenzaal, en nu 

lagen de zeven Provinciën achter sterke grensvestingen be- 
veiligd. 

In hetzelfde jaar toonde Maurits, dat hij eveneens in het 
open veld een uitstekend krijgsman was. Bij Turnhout tastte 
hij met slechts 1000 ruiters het zesmaal sterkere Spaansche 
leger aan en behaalde in een half uur tijds een schitterende 
overwinning. De Spanjaarden verloren, behalve hun bevel- 
hebber, 2000 man aan dooden en 500 gekwetsten, terwijl er 
in Maurits' leger slechts 10 personen sneuvelden. Niet minder 
roemrijk voor hem was de slag bij Nieuwpoort (1600). De stad 
Duinkerken, toenmaals nog in de Zuidelijke Nederlanden ge- 
legen, was een waar nest van zeeroovers, die het onze 
koopvaarders zeer lastig en jaarlijks groote schatten buit 
maakten. Daarom besloten de Staten-Generaal op raad van 
Oldenbarnevelt er een leger heen te zenden en het in te nemen. 




7i 

Maurits was eerst tegen dezen tocht midden in het vijandelijke 
land, maar Oldenbarnevelt bleef aandringen, en zoo gaf de 
Prins eindelijk toe. De vriendschap tusschen deze twee voor- 
naamste personen in de Republiek schijnt hierdoor geleden 
te hebben. Maurits landde met een leger van 1 2 000 man bij 
Ostende, trok daarna de kust langs, maar ontmoette bij Nieuw- 
poort het even sterke leger der Spanjaarden. Er ontstond een 
hevig gevecht, waarin het langen tijd onzeker bleef, wie de 
overwinning zou behalen. Doch tegen den avond gelukte het 
aan Maurits den vijand op de vlucht te drijven, die vele ge- 
sneuvelden en gevangenen op het slagveld moest achterlaten. 
Daar de Prins midden in het vijandelijke land niet veilig was 
en het weder zeer ongunstig werd, gaf hij den tocht naar 
Duinkerken op en scheepte zich weer naar Holland in. 

1. Wat gaf Maurits gelegenheid zoovele veroveringen te maken'? 

2. Wat was zijn doel met die veroveringen, en wanneer had hij dat bereikt? 

3. Noem eens eenige veroverde steden op, waaruit ge dat doel duidelijk 
kunt zien. 

4. Noem ook eens twee krijgslisten van hem. 

5. Wat leert ge van hem uit de veroveringen van Zutfen en Deventer'? 

6. Verklaar eens, waarom het bezit van Nijmegen zoo gewichtig was. 

7. Wat was wel de aanzienlijkste verovering? waarom? 

8. Met welk recht mag men zijn overwinning bij Turnhout roemrijk 
heeten ? 

9. Waardoor mislukte Maurits' tocht tegen Duinkerken? 



28. De Oostindische Compagnie (1602). 

Reeds vroeger zagen wij, hoe de haringvangst de oorzaak 
werd van onzen drukken zeehandel. (Lees nog maar eens, wat 
er in de 19e les van gezegd is.) 

Toenmaals kenden alleen de. Portugeezen den zeeweg naar 
Oost-Indië, zoodat al de Oostersche waren in Lissabon aan- 
kwamen. Ook met deze stad dreven wij daarom een levendigen 
handel : de Portugeezen voerden wel de waren uit de Oost 
naar hun hoofdstad, maar de Nederlanders brachten ze verder 
Europa rond. Dit leverde ons schatten gelds op, zoodat ons land, 
niettegenstaande het oorlog voerde, toch zeer welvarend was. 



7 2 

Plotseling echter verbood de Spaansche koning — die, zoo- 
als we zagen, ook meester van Portugal was geworden — ons 
allen handel met dit land; hij meende ons daardoor te zullen 
verarmen en des te gemakkelijker te kunnen onderwerpen. 
Thans besloten onze kooplieden, zelf den weg naar Indië op 
te sporen en wel door het nog onbekende Noorden heen, 
om niet telkens door de Spaansche schepen lastig gevallen te 




Zeegevecht in het begin der 17e eeuw. 

worden. Doch deze ontdekkingstochten bleven vruchteloos; 
telkenmale moesten onze zeelieden wegens de vele ijsschotsen 
terugkeeren; zelfs waren Heemskerk en Barents in 1596 ge- 
noodzaakt, den barren winter onder de grootste ontberingen 
op Nova-Zembla door te brengen. 

Intusschen had men de hoop, om door het Noorden heen 
een weg te vinden, zoo goed als opgegeven, waarom men een 
zekeren Pieter Keizer met vier schepen ,,om de Zuid" naar 
Indië zond. Hij was vergezeld van Cornelis Houtman, die in 
Lissabon gevangen gezeten had en daar veel van den weg 
naar de Oost had vernomen. Na een reis van 446 dagen be- 
reikten zij in 1596 Bantam op Java, en — de weg was ge- 
vonden. Spoedig werden er verscheidene maatschappijen op- 



73 

• 

gericht, om in de belangrijke winsten, die de handel op Indie 
opleverde, te kunnen deelen. Doordat er echter zooveel ver- 
eenigingen kwamen, verkocht de eene haar waren al goedkooper 
dan de andere en hierdoor gingen de grootste winsten ver- 
loren. Gelukkig wist Johan van Oldenbarnevelt de verschillende 
maatschappijen tot één groote te vereenigen, welke de O o s t- 
indische Compagnie werd geheeten (1602). Toen eerst 
begon de handel op Indië ontzaglijke voordeden op te leveren. 
Had iemand b.v. aan de Compagnie 1000 gulden geleend, 
dan ontving hij langen tijd elk jaar ongeveer 200 gulden rente, 
eens zelfs 750 gulden interest. Nu er één maatschappij bestond, 
kon deze ook gemakkelijker landstreken veroveren, te meer 
daar de inlandsche bevolking weinig met de trotsche Portu- 
geezen op had. Om deze bezittingen te besturen en voor de 
aanvallen van afgunstige vijanden te beschermen, zond de 
Compagnie er een bestuurder heen, die den titel van Gouver- 
neur-Generaal voerde. In 161 8 werd daartoe Jan Pieters- 
zoon Koen gekozen, een zeer bekwaam man, die vele verove- 
ringen maakte en reeds in het volgend jaar de hoofdstad 
Batavia stichtte. 

De Spanjaarden waren zeer op ons verbitterd geworden, 
want Portugal leed door onzen handel groote nadeelen. Her- 
haaldelijk trachtten zij onze koopvaarders op de terugreis te 
bemachtigen; hierdoor moesten wij vaak een vloot naar de 
Spaansche Zee zenden, om onze koopvaardijschepen te be- 
schermen. Bij twee dezer gelegenheden verloren wij een paar 
wakkere zeehelden : Reinier Klaassen en Jacob van Heems- 
kerk. De eerste liet zich liever in de lucht vliegen, dan zich 
over te geven (1606), en de laatste sneuvelde in de haven van 
Gibraltar, waar zijn vloot de Spanjaarden in hun eigen land 
een gevoelige nederlaag toebracht (1607). 

1. Hoe werd de haringvisscherij de oorzaak van onzen lateren handel"? 

2. Waarom zouden er ten tijde van Mautits hier vele scheepstimmer- 
werven geweest zijn'? 

3. Hoe kwamen de Nederlanders vóór 1600 aan de Indische waren'? 

4. Wat gaf aanleiding, om zelf den weg naar Oost-Indië te zoeken'? 



74 

5. Waardoor moest Heemskerk op Nova-Zembla overwinteren'? 

6. Waartoe was de oprichting der O.-I. Compagnie nuttig'? 

7. Verklaar eens, waarom zij oorlogsschepen noodig had. 

8. Met welk doel stelde zij een Gouverneur-Generaal aan'? 

9. Waaruit blijkt, dat de Spanjaarden afgunstig op onzen handel waren? 
10. Welke zeehelden kent gij'? 



29. Het Twaalfjarig Bestand (1609 1621). 

Daar er na den slag bij Nieuwpoort weinig meer werd uit- 
gericht en bovendien de oorlog aan beide partijen schatten 
gelds kostte, verlangde men eindelijk naar vrede. Er werden 
daartoe onderhandelingen geopend, doch het bleek al spoedig, 
dat men het over de voorwaarden niet eens kon worden. De 
Spanjaarden nl. eischten, dat wij afstand zouden doen van de 
vaart op Indië, en zulk een rijke bron van inkomsten wilden 
wij niet missen. Toen werd er een wapenstilstand voorgesteld, 
maar Maurits was daar sterk tegen. In dien tijd, zoo meende 
hij, kon de vijand wel weer machtig worden en ons bij het 
hervatten van den oorlog geducht in het nauw brengen. Olden- 
barnevelt en met hem de meerderheid in de Staten-Generaal 
waren vóór de staking der vijandelijkheden : de schatkist eischte 
zulks dringend. Eindelijk gaf Maurits toe, en zoo werd in 1609 
een wapenstilstand voor 1 2 jaar gesloten, het Twaalfjarig 
Bestand genoemd. Spanje zou deze gewesten gedurende dien 
tijd voor vrije landen houden, terwijl wij mochten doorgaan 
met het handeldrijven op Oost-Indië. 

Jammer echter, dat er tijdens het Bestand hevige twisten in 
de Republiek uitbarstten. Er ontstond nl. onder de predikanten 
over sommige zaken van de kerkleer een verdeeldheid, die zoo 
hoog liep, dat zij in een burgertwist ontaardde. De partij, welke 
zich Remonstranten noemde, was het machtigst in Hol- 
land en Utrecht ; de tegenpartij, Contra-Remonstranten 
geheeten, had de meeste aanhangers in de overige gewesten 
en dus ook in de Staten-Generaal. Oldenbarnevelt stelde zich 
als eerste dienaar der Staten van Holland aan het hoofd der 
Remonstranten, terwijl Maurits spoedig daarna de leider der 



75 

tegenpartij werd. Zoo stonden de twee machtigste personen 
in de Republiek scherp tegenover elkander; reeds door den 
tocht naar Nieuwpoort, maar vooral door hun verschil over 
het sluiten van het Bestand was hun vriendschap verkoeld, — 
thans waren zij elkanders openlijke vijanden geworden. 

De Staten van Holland meenden, dat er voor hen gevaar 
van de zijde der tegenpartij dreigde, vooral daar Maurits het 
opperbevel over het leger had. Hierom stelden de meeste Hol- 
landsche steden op aandrang van Oldenbarnevelt soldaten aan, 
om de rust te bewaren en zich tegen Maurits te kunnen ver- 
zetten. Eveneens namen de Staten van Utrecht zulke waard- 
gelders, zooals zij genoemd werden, in hun dienst. 

Dit alles verbitterde de tegenpartij niet weinig, en daar 
Oldenbarnevelt op vele plaatsen in Holland de Contra- Remon- 
stranten liet vervolgen, besloten de Staten-Generaal ten laatste 
handelend op te treden. Op hun uitnoodiging dankte de Prins 
de waardgelders in Utrecht af en verkoos er een nieuwe 
vroedschap, die zijn partij was toegedaan. Daarna liet hij met 
goedvinden der Staten-Generaal Oldenbarnevelt gevangen 
nemen, evenals drie van diens voornaamste vrienden : Hugo 
de Groot, Hoogerbeets en Ledenberg. De eerste was pensio- 
naris van Rotterdam, de tweede van Leiden en de laatste van 
de Staten van Utrecht. Verder trok Maurits de steden van 
Holland rond, dankte de waardgelders af en veranderde ook 
hier de vroedschappen. 

Er werd een rechtbank van 24 rechters benoemd, die Olden- 
barnevelt ter dood veroordeelde; voor de drie andere heeren 
luidde het vonnis levenslange gevangenis. Maurits zou liever 
gezien hebben, dat Oldenbarnevelt vergiffenis had gevraagd, 
maar de grijze staatsman hield zich overtuigd, dat hij altijd 
naar recht en plicht gehandeld had en dus geen gratie behoefde 
te verzoeken. Den 13 Mei 1619 werd te 's-Gravenhage het 
harde vonnis aan den 71 -jarigen grijsaard voltrokken; hij had 
43 jaren lang Holland naar zijn beste weten gediend en mede- 
gewerkt om de Republiek tot grooten bloei te brengen. 



7 6 

Hugo de Groot wist in 1621 door de bekende list zijner 
vrouw zijn kerker te ontvluchten; Ledenberg was reeds spoedig 
in de gevangenis gestorven en Hoogerbeets werd na Maurits' 
dood weer in vrijheid gesteld. 

1. Waarom verlangden beide partijen naai rust? 

2. Waardoor werd de vrede verhinderd? 

3. Vertel eens. waarom Maurits tegen, en Oldenbarnevelt vóór het Be- 
stand was. 

4. Waardoor ontstonden er twee partijen? 

5. Hoe verbitterde Oldenbarnevelt de tegenpartij? 

6. Waaruit blijkt o.a., dat Utrecht in alles het voorbeeld van Holland 
volgde ? 

7. Hoe wist Maurits Holland te onderwerpen? 

8. Waardoor heeft Oldenbarnevelt zich jegens ons land verdienstelijk 
gemaakt? (Denk aan vroegere lessen!) 



30. Maurits' laatste regeeringsjaren. De Westindische 
Compagnie (1621). 

De Friesche stadhouder Willem Lodewijk, die met Maurits 
zooveel voor onze vrijheid gedaan had, beleefde de hervatting 
van den oorlog niet meer. Hij stierf in 1620 en werd in Fries- 
land door zijn broeder Ernst Casimir opgevolgd; in Groningen 
en Drente koos men prins Maurits. 

De partij der Contra-Remonstranten ging na haar zegepraal 
nog steeds voort, haar tegenstanders te verdrukken : verschei- 
dene verdienstelijke mannen werden van hun ambten ontzet 
en velen hunner moesten als ballingen buiten hun vaderland 
rondzwerven. Hierdoor maakte Maurits zich vele vijanden, 
zoodat ten laatste een samenzwering ontstond, om hem van 
het leven te berooven. De aanleggers hiervan waren Olden- 
barnevelts zonen, Willem van Stoutenburg en Reinier van 
Groeneveld. Doch het misdadig plan kwam nog bijtijds aan 
het licht. De samenzweerders werden ontdekt en de meesten 
hunner ter dood gebracht. De overigen wisten door een snelle 
vlucht te ontkomen, zooals Willem van Stoutenburg, die in 
België een schuilplaats vond en daar in het Spaansche leger 
dienst nam tegen zijn eigen vaderland. 



77 

Intusschen was het Bestand geëindigd en werd de oorlog 
hervat, maar veel richtte Maurits niet meer uit : vooreerst had 
men geen geld genoeg en ten tweede was de Spaansche bevel- 
hebber Spinola zulk een bekwaam veldheer, dat Maurits reeds 
moeite had, om ons eigen grondgebied te verdedigen. Zoo ver- 
hinderde Spinola het plan van Maurits, om Antwerpen bij ver- 
rassing te nemen, ja, hij wist zich zelfs van Breda meester te 
maken. De genoemde aanslag op de Scheldestad was de laatste 
onderneming van den Prins; in 1625 overleed de krijgsheld 
aan een slepende ziekte, op 58-jarigen leeftijd. 

De handel op de Oost leverde zoovele voordeelen op. dal 
men in 1621 ook een Westindische Compagnie oprichtte, die 
op de Westkust van Afrika en op Amerika den alleenhandel 
verwierf. Weldra verkreeg zij ook grondgebied, vooral in 
Brazilië. Zij veroverde reeds in 1624 Bahia of San Salvador; 
hoewel deze stad door het slechte bestuur in het volgend jaar 
weer verloren ging, behaalde de Compagnie toch spoedig 
nieuwe voordeelen. Verschillende Westindische eilanden wer- 
den veroverd en ook van Brazilië was reeds zulk een belangrijk 
gedeelte in bezit genomen, dat er een Gouverneur werd aan- 
gesteld, die de kolonie tot grooten bloei bracht. Vooral be- 
langrijk was de verovering der Spaansche Zilvervloot door 
Piet Hein, waarbij de verbazende schatten, die Spanje jaarlijks 
uit Amerika ontving, werden buitgemaakt (1628). 

1. Over welke gewesten is Maurits stadhouder geweest? 

2. Waaruit blijkt, dat na Oldenbarnevelts onthoofding de rust nog niet 
hersteld was? 

3. Verklaar eens, waarom Maurits na het eindigen van het Bestand 
weinig meer kon uitrichten. 

4. Wanneer was Maurits geboren? 

5. Waarom werd er ook een Westindische Compagnie opgericht? 

6. Welke veroveringen maakte deze Compagnie? 

7. Hoe weet ge, dat Spanje groote voordeelen uit Amerika trok? 

31. Frederik Hendrik (1625 1647). 

Daar prins Maurits niet gehuwd was geweest, volgde zijn 
broeder Frederik Hendrik hem in al zijn waardigheden op, 



78 

behalve in Groningen en Drente, die den Frieschen stadhouder 
verkozen. Het bleek al spoedig, dat Frederik Hendrik minder 
streng was tegen de Remonstranten dan zijn broeder, zoodat 
de vervolgingen weldra geheel ophielden. 

Met hem begint opnieuw een tijdperk van groote overwin- 
ningen op de Spanjaarden, want zelfs de steden, die Maurits 
niet had kunnen veroveren, of die later weer door de Span- 
jaarden waren genomen, wist hij te bemachtigen. Den bijnaam 
van Stedendwinger, dien hij verkreeg, verdient hij dan 
ook ten volle. Zoo veroverde hij al spoedig Oldenzaal en Groen- 
loo en in 1629 bemachtigde hij het sterke 's-Hertogenbosch. 
Dat was een zijner schitterendste wapenfeiten, niet alleen door- 
dat Maurits meermalen tevergeefs beproefd had, deze stad te 
nemen, maar ook wegens de vele moeilijkheden, die in deze 
moerassige streek aan het beleg verbonden waren. Om hem 
tot het opbreken van het beleg te dwingen, deden de Span- 
jaarden een inval op de Veluwe, waarbij zelfs Amersfoort ver- 
overd werd. Frederik Hendrik bleef echter voor Den Bosch 
en liet alleen de streek tusschen Muiden en Gouda onder water 
zetten, om Amsterdam te beschermen. Onverwachts echter werd 
Wezel door de onzen genomen, en daar de Spanjaarden uit 
deze stad hun krijgsvoorraad moesten ontvangen, werden zij 
tot een haastigen aftocht gedwongen. Den Bosch kon zich nu 
niet langer verdedigen en gaf zich aan den Prins over. 

In 1632 deed Frederik Hendrik met zijn neef Ernst Casimir 
een veroveringstocht langs de Maas. Behalve verscheidene 
kleinere plaatsen bemachtigde hij ook Venloo, Roermond en 
de belangrijke vesting Maastricht. Bij de belegering der tweede 
stad sneuvelde de genoemde Friesche stadhouder, die door zijn 
zoon Hendrik Casimir I opgevolgd werd. 

Door dit alles ging Spanje zeer achteruit, vooral ook, toen 
wij in 1635 Frankrijk tot bondgenoot kregen. Toch wilde de 
Spaansche koning nog één middel beproeven, om het verloren 
gebied terug te winnen; hij rustte namelijk een tweede 
armada uit, die een groot leger naar België moest over- 



M Êmim , ■ ü'}^ 

I 



jiilli.::'! 1 ! :■'< 4 



■' ■ II! 




'3 

S 



8o 

brengen. Deze vloot, welke 67 schepen en 1700 kanonnen telde, 
was bemand met 24000 koppen en stond onder bevel van 
d'Oquendo. Onze zeemacht, waarover de dappere Maarten 
Harpertszoon Tromp het bevel voerde, bestond slechts uit 13 
schepen, en toch durfde de vlootvoogd den aanval op den veel 
sterkeren vijand wagen. De Spanjaarden weken echter lafhartig 
in de Engelsche haven van Duins, waar Tromp hen terstond 
insloot. Nauwelijks had men dit in ons land vernomen, of er 
werden met zulk een spoed nieuwe schepen gebouwd, dat de 
vloot binnen korten tijd tot bijna 100 zeilen was aangegroeid. 
De Spanjaarden zochten nu onder allerlei voorwendsels den 
strijd te ontwijken en wisten zelfs de Engelschen over te halen, 
ons een aanval op de armada te verbieden. Doch Tromp liet 
zich hierdoor niet bevreesd maken; met zijn dappere onder- 
bevelhebbers Jan Evertsen, Joost Bankerts en Witte Cornelis- 
zoon de With tastte hij de Spanjaarden aan en versloeg ze zoo 
volkomen, dat van deze armada slechts 18 schepen behouden 
bleven, terwijl Tromp maar één schip verloor (1639). 

Nu was Spanjes zeemacht voor goed vernietigd, en daarmee 
ook zijn hoop, om ons land ooit weer te onderwerpen. Nadat 
Frederik Hendrik in 1644 nog Sas-van-Gent en Hulst had 
veroverd, werden er dan ook over den vrede onderhandelingen 
aangeknoopt. De Prins mocht echter het einde van den grooten 
strijd niet beleven; eer de vrede de volharding der Nederlan- 
ders zou bekronen, stierf hij in den ouderdom van 63 jaren 
(1647). Zeven jaren te voren, toen Hendrik Casimir bij een 
inval in Vlaanderen was gesneuveld, hadden Drente en Gro- 
ningen ook hem tot stadhouder verkozen; de broeder van den 
gesneuvelden stadhouder van Friesland, Willem Frederik, was 
toen alleen in laatstgenoemd gewest opgevolgd. 

1. Waarin verschilde Frederik Hendrik van Maurits? 

2. Bewijs eens, dat hij Stedendwinger mag heeten. 

3. Ga eens met behulp der vorige lessen na, welke steden de Spanjaarden 
vroeger weer hadden genomen. 

4. Welke van de steden, die Frederik Hendrik veroverde, waren nog 
steeds Spaansch gebleven? 



8i 

5. Verklaar eens, waardoor de verovering van 's-Hertogenbosch zoo 
belangrijk was, en ook die van Venloo, Roermond en Maastricht. 
(Denk er aan, dat een vesting een grooten omtrek beheerscht.) 

6. Waarin verschilde de Spaansche vloot van 1639 van de eerste Armada? 

7. Vertel iets van den slag bij Duins. 

8. Men noemt Frederik Hendrik den voltooier der Nederlandsche vrijheid, 
en toch heeft hij niet eens den vrede beleefd. Verklaar dit dan eens. 

9. De Nederlanders zijn langzaam, zegt men. Geef echter eens een voor- 
beeld, dat onze voorouders ook wel eens vlug konden wezen. 

10. Welke Friesche stadhouders hebt gij reeds leeren kennen en wat 
weet gij van hen? 

32. De Munstersche vrede (1648). 

Na vele beraadslagingen werd eindelijk in 1648 te Munster 
de vrede gesloten, die voor de Republiek zeer roemvol mocht 
heeten. De koning van Spanje verklaarde de Vereenigde 
Provinciën voor vrije en onafhankelijke landen, waarop hij noch 
zijn nakomelingen ooit meer aanspraak konden maken. De 
Republiek mocht al haar veroveringen behouden, dus zoowel 
Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord-Brabant en Limburg, als de be- 
zittingen in Oost en West. Bovendien kregen de Staten-Generaal 
het recht, de Schelde te sluiten, zeer ten voordeele van Am- 
sterdam. 

Zoo schitterend was de uitslag van den 80-jarigen oorlog; 
het eens zoo machtige Spanje was afgedaald tot een rijk van 
weinig beteekenis meer, — de kleine Republiek daarentegen 
werd een der voornaamste landen van Europa. Onze handel 
was tijdens den oorlog een wereldhandel geworden : op alle 
zeeën vertoonden zich de Nederlandsche schepen en was de 
Nederlandsche vlag geëerd en ontzien. Onze koopvaardijvloot 
telde 10 000 schepen, bemand met 150000 matrozen; boven- 
dien hadden andere volken bijna evenveel Hollandsche schip- 
pers in hun dienst. De haringvisscherij leverde thans reeds 
meer dan 8 millioen gulden per jaar op en werd dus niet ten 
onrechte een goudmijn genoemd. Overal heerschte welvaart en 
voorspoed, en talrijke fabrieken verschaften aan velen brood. 
Leiden b.v. had veel laken- en zijdeweverijen en Delft leverde 
beroemd aardewerk. Landbouw en veeteelt verkeerden, nu de 
pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6e druk. 6 



82 






boer niet meer van de soldaten te lijden had, in een bloeienden 
staat; door droogmakerijen als van de Beemster, de Purmer 
en de Wormer waren vruchtbare stukken gronds aangewonnen, 
en verscheidene Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden door 
bedijking vergroot. Ook in Friesland was de landaanwinning 
aanzienlijk geweest, terwijl men tevens in het Noorden het 

hoogveen ging afgra- 
ven, waardoor weldra 
bloeiende veenkolo- 
niën ontstonden. 

Verder was onze 
Republiek beroemd 
door tal van geleerden 
aan de hoogescho- 
len, welke achtereen- 
volgens te Leiden, 
Franeker, Groningen, 
Utrecht en Harderwijk 
gesticht waren. Even- 
eens hadden wij ver- 
scheidene groote dich- 
ters zooals Joost van 
den Vondel, Pieter 
Corneliszoon Hooft, 
Constantijn Huygens 
en Jacob Cats. Wereld- 
beroemd waren onze 
schilders Rembrandt 
van Rijn, Paulus Pot- 
ter, Jan Steen en 
Gerard Dou. Bijna alle 
steden bezaten prach- 
tige gebouwen, door bekwame bouwmeesters gesticht ; Am- 
sterdam had b.v. een stadhuis — thans koninklijk paleis — 
dat voor een wonder der wereld gehouden werd. In de huizen 




Kaartje van Noord-Holland vóór de 
landaanwinning. 



83 

der rijke kooplieden heerschte een ongekende pracht : de 
meubels waren van kunstig snijwerk voorzien, kostbare spiegels 
en schilderijen hingen aan den wand en dure tapijten bedekten 
den vloer. Deze tijd was de roemrijkste, dien wij ooit gekend 
hebben ; niet ten onrechte wordt hij de gouden eeuw van 
F reder ik Hendrik genoemd. 

Misschien wel ten gevolge van den drukken wereldhandel 
werden er artikelen ingevoerd, die men vroeger niet had gekend. 
Zoo bijv. werden er, behalve bier en wijn, die reeds eeuwen 
gebruikt waren, voortaan ook koffie en thee gedronken, 
eerst slechts in bepaalde inrichtingen (koffiehuizen), later echter 
in bijna elke woning. Verder werd sedert 1600 de tabak, af- 
komstig uit Amerika, ingevoerd, hoewel men in den beginne 
heftig streed tegen het „toeback suigen". Men gebruikte hier- 
voor nog uitsluitend korte steenen pijpen met kleinen kop en 
dikken steel. 

Ook begonnen in dien tijd de eerste couranten in ons 
land te verschijnen; Amsterdam had in 1627 reeds een week- 
blad. De verzending van deze nieuwsbladen, alsmede van 
brieven, was echter nog vrij slecht geregeld, al begonnen ook 
sommige groote steden reeds vaste postboden op andere 
plaatsen aan te stellen. 

Het o n d e r w ij s was in deze tijden van voorspoed niet zoo 
algemeen, als men zou denken. In vele dorpen bestonden geen 
scholen, zoodat tal van menschen in die dagen lezen noch 
schrijven konden. In de grootere plaatsen had men wel scholen, 
maar het waren nog vaak zeer onooglijke, donkere vertrekken. 
De onderwijzer zat voor een lessenaar en de kinderen schaarden 
zich om hem heen op banken of soms op den grond. Er werd 
alleen lezen, schrijven (krulletters met veeren pennen), rekenen 
en zingen geleerd. De ongehoorzamen of tragen werden met 
plak en roede gestraft. 

1. Noem de drie voornaamste punten van den Munsterschen vrede op. 

2. Waarom was de sluiting der Schelde .zoo belangrijk voor Amsterdam? 

3. Wie had Limburg veroverd? 

4. Waaruit ziet ge, dat de Nederlanders een wereldhandel dreven? 

6* 



84 

5. Noem eens het een en ander op, waaruit de bloei en welvaart der 
Republiek blijkt. 

6. Welke hoogescholen van toen bestaan thans niet meer? 

7. Welke kunstenaars hadden wij in de zeventiende eeuw'? 

8. Waarom noemt men den tijd van Frederik Hendrik de gouden eeuw? 

9. Welke nieuwe artikelen kwamen in gebruik? 

10. Wat weet gij van de posterijen in die dagen ? 

11. Vertel iets van het onderwijs uit dien tijd. 



33. Willem II (1647 1650). 

Frederik Hendrik werd door zijn zoon Willem II in al zijn 
waardigheden opgevolgd. De jeugdige Stadhouder was met 
den vrede niet zeer ingenomen; hij had liever gezien, dat de 
oorlog voortgezet was, opdat ook hij roem had kunnen behalen. 
Eveneens zou hij gaarne de Staten-Generaal bewogen hebben, 
aan Engeland den oorlog te verklaren. In dat rijk was zijn 
schoonvader, koning Karel I, wegens diens slecht bestuur ont- 
hoofd geworden en had men diens zoon verbannen. Gaarne 
zou de Prins zijn zwager, die in ons land verblijf hield, weer op 
den Engelschen troon geholpen hebben, doch de Staten waren 
reeds door onzen eigen oorlog te veel in schulden geraakt, om 
aan een tweeden krijg te denken. Zij besloten daarom, nu de 
vrede tot stand gekomen was, een aantal soldaten af te danken. 
Hoewel dit middel tot bezuiniging volstrekt niet was af te 
keuren, gaf het toch aanleiding tot een hevigen binnenland- 
schen twist door de houding van Holland. Dit gewest droeg de 
meeste lasten en wilde dus zooveel mogelijk de kosten van het 
leger verminderen; het ging echter daarbij naar de meening 
der Staten-Generaal en van den Prins te ver. Toch zette Holland 
zijn wil door en dankte in zijn gewest veel meer troepen af, 
dan de Stadhouder en de andere provinciën raadzaam vonden. 
Hierom droegen de Staten-Generaal den Prins op, de verschil- 
lende steden van Holland te bezoeken, ten einde de vroed- 
schappen tot andere gedachten te brengen. Reeds in de eerste 
stad de beste, in Dordrecht, waar Jacob de Witt den Stad- 
houder te woord stond, mocht de Prins niet slagen, evenmin 



85 

als in de andere steden; Amsterdam weigerde zelfs hem als 
afgevaardigde der Staren-Generaal te woord te staan (1650). 

Teleurgesteld en gegriefd, besloot nu de Prins met geweld 
op te treden; hij liet uit de onwillige steden verscheidene 
heeren, o. a. Jacob de Witt, onverwachts gevangen nemen en 
naar Loevestein brengen. Tevens droeg hij aan den stadhouder 
van Friesland op, Amsterdam te bezetten. Doch het leger ver- 
dwaalde des nachts op de Gooische heide en daardoor kreeg 
men in Amsterdam van den aanslag nog tijdig genoeg kennis, 
om de stad behoorlijk te kunnen versterken. 

De Prins, die inmiddels zelf overgekomen was, zag wel in 
dat hij de stad niet gemakkelijk zou kunnen innemen. Hij ver- 
zocht dus aan de Staten-Generaal, om het beleg te mogen op- 
breken. Maar nog eer de Prins antwoord ontving, trad de 
stad met hem in onderhandeling, omdat haar handel veel had 
te lijden en bij een langer beleg waarschijnlijk verloopen zou. 
Amsterdam beloofde zich naar den wensch der Staten-Generaal 
te zullen voegen en den Prins met alle eer te willen ontvangen. 
De Stadhouder liet daarop zijn leger aftrekken en de gevangen 
heeren terstond in vrijheid stellen. Ook de Staten van Holland 
verzetten zich nu niet langer, en zoo werd de rust hersteld. 

Nog in hetzelfde jaar stierf de Prins in Den Haag op slechts 
vierentwintig jarigen leeftijd. Acht dagen na zijn dood werd 
zijn eenige zoon geboren. 

1. Over welke gewesten werd Willem II stadhouder'? 

2. Waarom was hij weinig met den vrede ingenomen? 

3. Waartoe wilde hij ons in een oorlog met Engeland wikkelen'? 

4. Waardoor ontstonden er opnieuw binnenlandsche onlusten? 

5. Waarom zouden de Staten-Generaal minder troepen dan Holland hebben 
willen afdanken? 

6. Hoe weet ge, dat de Prins niet terstond tot geweld overging'? 

7. Willem II dwong in dezen strijd zijne eigen gebieders tot onderwerping. 
Kunt ge dat aantoonen? 

8. Waarom gaf Amsterdam zich over, daar het zich wel had kunnen 
verdedigen? 

9. Hoe lang is Willem II stadhouder geweest'? 



86 
34. Eerste Engelsche oorlog (1652-1654). 

De gewelddadige wijze, waarop Willem II tegenover Holland 
was opgetreden, had hem vele vijanden berokkend, die daar- 
door een afkeer van het stadhouderschap hadden gekregen. 
Na zijn dood namen dan ook de meeste gewesten het besluit 
voortaan geen stadhouder meer aan te stellen; alleen Drente 
en Groningen kozen dien van Friesland, Willem Fredèrik. 

Reeds in het begin dezer Stadhouderloozeregeering, 
zooals het tijdvak, dat nu begint, genoemd wordt, deden de 
Engelsche gezanten aan de Staten een voorstel, om een zeer 
nauw verbond met Groot-Brittanje te sluiten. Zooals wij reeds 
weten, was daar de koning onthoofd en Engeland een republiek 
geworden. Aan het hoofd daarvan stond Olivier Cromwell, 
die gaarne ons land tot zijn bondgenoot wilde maken, te meer 
daar hij vreesde, dat wij den zoon van den onthoofden koning 
te eeniger tijd zouden helpen. De Staten vonden echter zulk 
een verbond niet raadzaam en weigerden dus. Natuurlijk werd 
daardoor de goede verstandhouding tusschen de beide Repu- 
blieken niet bevorderd. 

Cromwell wenschte Engelands handel en zeemacht meer te 
ontwikkelen, wijl hij inzag, dat hierdoor de welvaart en het 
aanzien van zijn land zouden toenemen. Wij hebben reeds 
vroeger gezien, hoe in die dagen bijna uitsluitend Nederland- 
sche schippers de Engelsche havens bezochten. Om nu zijn 
eigen volk te dwingen, zelf de zee te gaan bevaren, vaardigde 
Cromwell in 1651 de Acte van Navigatie of scheep- 
vaart wet uit. Volgens dat besluit mochten de schepen van 
vreemde volken alleen waren uit hun eigen land in de havens 
van Engeland of zijn bezittingen brengen, terwijl visch alleen 
door Engelsche schepen mochten worden ingevoerd. 

Onze zeelieden konden dus niet meer in dienst der Engelsche 
kooplieden blijven, of hun langer van haring, kabeljauw, enz. 
voorzien. Die scheepvaartwet maakte daardoor vele onzer 
schippers broodeloos. Onze gezanten beproefden wel, de ge- 



8? 

hate acte te doen intrekken, maar Cromwell wilde er niets 
van hooren. 

Daar Engelands handel door genoemde wet zich spoedig 
begon te ontwikkelen, wekte dit niet weinig den naijver onzer 
kooplieden op. Omgekeerd waren de Engelschen afgunstig, dat 
onze handel nog steeds zoo aanzienlijk was. Het was dus te 
verwachten, dat de vrede tusschen beide volken niet lang 
meer bewaard zou blijven. 




Stadsgezicht in de 17e eeuw. 

Onverwachts maakten de Engelsche oorlogsschepen zich van 
eenige onzer vaartuigen meester en daarom stak onze admiraal 
Maarten Harpertszoon Tromp met een vloot in zee, om onze 
koopvaardijschepen te beschermen. Hij ontmoette bij Dover 
de Engelsche oorlogsvloot onder Blake, en hier geraakten 
beide admiraals in een gevecht, dat onbeslist bleef (1652). 



88 

Daarmee was dus nog vóór de verklaring de Eerste En- 
gelsen e oorlog uitgebarsten, waarin de onzen wel met 
roem streden, maar op de beter uitgeruste Engelsche oorlogs- 
vloot geen beslissende overwinningen behaalden. Michiel 
Adriaanszoon de Ruyter sloeg de Engelschen bij Plymouth, 
terwijl Tromp met groote dapperheid in een driedaagschen 
zeeslag bij Portland streed, die echter onbeslist bleef (1653). 
In een tweeden slag, dien hij in hetzelfde jaar op onze kust 
bij Ter heide leverde, sneuvelde hij. Hetzelfde lot trof den vice- 
admiraal Jan van Galen, die bij Livorno een overwinning op 
de Engelschen behaalde. De dood van den dapperen Tromp 
was een groot verlies voor ons; hij was in 1596 te Brielle ge- 
boren en reeds vroeg met zijn vader ter zee gegaan; hij had 
o. a. als elfjarige knaap den slag bij Gibraltar bijgewoond. 
Door zijn moed en beleid was hij van matroos tot admiraal op- 
geklommen en had hij het land groote diensten bewezen. Uit 
dankbaarheid richtten de Staten-Generaal op zijn graf te Delft 
een prachtig gedenkteeken op. 

Na den dood van Tromp werd er weinig meer uitgericht : 
wij waren tegen de Engelschen niet opgewassen; de oorlog 
verslond schatten gelds en onze handel verliep geheel. Groote 
armoede was hiervan het gevolg, zoodat velen naar den vrede 
verlangden. Cromwell, die bevreesd was, dat men in deze 
benarde tijden den Prins van Oranje tot stadhouder mocht 
verkiezen, bood ons den vrede aan. Hij stelde echter tot voor- 
waarde, dat de Staten-Generaal den jongen Prins nooit tot de 
waardigheid zijner vaderen zouden verheffen. Dit werd ge- 
weigerd; alleen Holland legde in het geheim de gevraagde 
belofte af. Dit verdrag wordt de Acte van Beclusie of 
uitsluiting genoemd, daar de Staten van Holland den jeugdigen 
Prins voor altijd uitsloten van het stadhouderschap over hun 
gewest; tevens beloofden zij, nooit hun stem te zullen geven, 
om hem tot de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal 
der Unie te verkiezen. Cromwell nam hiermede genoegen, en 
zoo kwam de vrede in 1654 te Westminster tot stand. 



89 

i. In welk gewest zou Willem II zich de meeste vijanden hebben ge- 
maakt? Geef daarvan de reden eens op. 

2. Voor welke gewesten begon de stadhouderlooze regeering? 

3. Waarom was Cromwell ontevreden op onze Republiek geworden? 

4. De Acte van Navigatie berokkende den Nederlanders veel meer 
schade dan aan andere volken. Verklaar dat eens. 

5. Wat gaf aanleiding tot den Engelschen oorlog? 

6. Welke onzer zeehelden sneuvelden? 

7. Waarom verlangde de republiek en waarom Cromwell naar vrede? 

8. Op welke voorwaarde sloot Cromwell vrede? 

9. Zeg nog eens, wie den kapitein-generaal en admiraal der Unie koz en. 
10. Ga nu eens na. wat Holland alleen kon beloven. 



35. Johan de Witt. Noordsche oorlog (1655 1660). 

Het geheim verdrag bij den vrede van Westminster was 
vooral gesloten op aandrang van den raadpensionaris van Hol- 
land, Johan de Witt, die tijdens den oorlog zijn betrekking 
aanvaard had (1653). Zijn vader was Jacob de Witt, dezelfde 
die op Loevestein gevangen had gezeten; dit was een voor- 
name reden, waarom Johan een afkeer van het stadhouder- 
schap had. Allen, die even als hij gezind waren, werden 
Staatsgezinden genoemd, terwijl de partij, welke den 
Prins was toegedaan, den naam van Prinsgezinden droeg. 

Johan de Witt was een zeer bekwaam staatsman, die weldra 
ook grooten invloed in de andere gewesten verkreeg. Aan zijn 
beleid en eerlijkheid is het te danken, dat de Republiek haar 
aanzien en macht wist te bewaren. 

Den schuldenlast van Holland, die zeer groot was, toen hij 
aan het bewind kwam, heeft hij door gepaste middelen aan- 
zienlijk verminderd. Daar de Eerste Engelsche oorlog geleerd 
had, dat onze zeemacht nog niet sterk genoeg was, liet hij 
verscheidene nieuwe, zwaardere schepen bouwen en ze ook 
beter wapenen en bemannen. Bovendien loofde hij voor dappere 
daden groote belooningen uit en verstrekte aan zwaar gewon- 
den belangrijke sommen tot schadeloosstelling. 

Dit alles kwam ons reeds spoedig te stade. In 1655 brak er 
een oorlog tusschen Polen en Zweden uit, waardoor onze 
handel op de Oostzee zeer bedreigd werd. Daarom vertrok de 



9° 

opvolger van Tromp, Jacob van Wassenaar-Obdam, met een 
vloot daarheen en wist de stad Dantzig, die door de Zweden 
belegerd werd, te ontzetten (1656). Twee jaar later barstte er 
opnieuw een oorlog uit, thans tusschen Zweden en Denemarken. 
Wijl het eerste rijk de Sont wilde sluiten, trok Van Wassenaar- 
Obdam er andermaal heen en versloeg den Zweedschen 
admiraal, waarbij de dappere Witte Corneliszoon de With 
sneuvelde. In het volgend jaar maakten de Zweden vele ver- 
overingen in Denemarken; daarom zonden de Staten ten 
derden male een vloot naar de Oostzee, om de Denen te hel- 
pen. Ditmaal voerde De Ruyter het opperbevel, die op Funen 
landde en de stad Nyborg uit de macht der Zweden bevrijdde. 
Tengevolge van onze hulp kon Denemarken reeds in 1660 
een vrij voordeeligen vrede sluiten, waarbij de Sont voor ons 
geopend bleef. Uit dankbaarheid schonk de Deensche koning 
aan De Ruyter een gouden keten en een jaarwedde van 2000 
gulden, terwijl hij hem in den adelstand verhief. 

In 1664 stierf de Friesche stadhouder Willem Frederik en 
werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Kasimir II. 

1. Waarom was Johan de Witt tegen het stadhouderschap ? 

2. Welke partijen bestonden er voortaan in de Republiek en wat 
wenschten zij? 

3. Noem eens iets op, waaruit het beleid van Johan de Witt bleek. 

4. Waarom versterkte hij de vloot'? 

5. Hoe trachtte hij de matrozen tot dapperheid aan te sporen? 

6. Waarom zonden wij den vijanden van Zweden hulp? 

7. Welke zeehelden onderscheidden zich daarbij? 

8. Hoe lang is Willem Frederik stadhouder geweest? 



36. Tweede Engelsche oorlog (1665-1667). 
Drievoudig verbond (1668). 

Na den dood van Cromwell, die in 1658 overleed, duurde 
het niet lang, of het gelukte aan de tegenstanders van de 
republiek den zoon van den onthoofden koning als Karel II op 
den troon te plaatsen (1660). Dit wekte bij de Staten van 
Holland groote bezorgdheid op; de nieuwe koning toch zou 



9i 

wel al het mogelijke doen, om den Prins van Oranje, die zijn 
neef was, tot de waardigheden zijner voorvaderen te doen 
verheffen. Hoe goed wij ook den Koning in zijn ballingschap 
hadden ontvangen, toch bleek het al spoedig, dat hij de Repu- 
bliek vijandig gezind was. Ook was de onderlinge naijver 
tusschen de beide handeldrijvende volken, waarvan wij in de 
34e les spraken, eer vermeerderd dan verminderd; het kon dus 
niet anders, of er moest opnieuw een oorlog uitbarsten. Nog 
in vollen vrede namen de Engelschen reeds eenige onzer koop- 
vaarders weg, en met deze trouwelooze vredebreuk begon de 
Tweede Engelsche oorlog (1665 — 1667). Bij de eerste 
ontmoeting der beide vijandelijke vloten nabij Lowestoft ge- 
raakte ons admiraalschip in brand en vloog in de lucht, 
waarbij Van Wassenaar-Obdam noodlottig om het leven kwam. 
Dit veroorzaakte zulk een schrik, dat onze vloot in verwarring 
geraakte en de Engelsche opperbevelhebber, de hertog van 
York, een volkomen overwinning behaalde. Maar in het vol- 
gende jaar had onder het opperbevel van De Ruyter bij Dover 
de merkwaardige Vierdaagsche Zeeslag plaats, die 
eenig in onze geschiedenis gebleven is. Na een hevigen strijd 
werden eindelijk de Engelsche admiraals prins Robert en Monk 
op de vlucht gedreven en keerde onze vloot, hoewel zwaar 
gehavend, met 3000 krijgsgevangenen terug. Wij hadden echter 
den dood van den Zeeuwschen onder-bevelhebber Cornelis 
Evertsen te betreuren. Het volgende gevecht, dat in hetzelfde 
jaar bij Duinkerken geleverd werd, liep minder goed ai; de 
Engelschen behaalden de overwinning, en alleen aan het 
beleid van De Ruyter was het te danken, dat onze vloot nog 
vrij wel behouden bleef. De Engelschen waren echter laag- 
hartig genoeg, het weerlooze eiland Terschelling te verwoesten 
en een 100-tal koopvaarders in brand te steken. 

Intusschen begonnen de beide partijen door de wederzijdsche 
verliezen naar den vrede te verlangen; in het begin van 1667 
werden daarom te Breda de onderhandelingen geopend. Om 
de Engelschen, die hierbij weinig haast maakten, tot wat meer 



92 

spoed aan te zetten en ze tevens te straffen voor hun lage 
daad op Terschelling, besloot Johan de Witt, hen in hun eigen 
land aan te vallen. Een Hollandsche vloot onder bevel van 
De Ruyter en onder toezicht van Cornelis de Witt, broeder 
van den Raadpensionaris, zeilde den mond der Theems op 
tot aan het kasteel Sheerness, waar het riviertje de Medway 
met een breeden mond in de Theems valt. Het kasteel werd 
veroverd en geslecht, en daarna ging het op de Britsche oorlogs- 
schepen af, die verderop in de Medway lagen. De Engelschen 
hadden in de rivier schepen laten zinken en er zware kettingen 
over gespannen, maar toch verhinderde dit niet, dat de onzen 
verscheidene vijandelijke schepen verbrandden of meenamen. 
Geheel Londen verkeerde in grooten angst, doch het lag niet 
in het plan der Nederlanders een aanslag op de hoofdstad te 
doen. Bij Chattam keerden ze terug en kruisten nog eenigen 
tijd op zee. Deze merkwaardige en roemvolle tocht oefende 
zulk een gunstigen invloed op de onderhandelingen te Breda 
uit, dat de vrede spoedig gesloten werd (1667). De Acte van 
Navigatie bleef wel bestaan, maar werd toch eenigszins ver- 
zacht : voortaan mochten wij ook Duitsche waren, die langs 
den Rijn hier aangevoerd werden, in Engeland brengen. 

De vrede van Breda was voor beide landen noodzakelijk ge- 
worden door de dreigende houding van Lodewijk XIV. koning 
van Frankrijk. Deze heerschzuchtige vorst ontzag zich niet, 
bij de minste aanleiding zijn gebied zelfs met geweld te ver- 
grooten. Zoo maakte hij in 1665, bij den dood van den koning 
van Spanje, aanspraak op de Zuidelijke Nederlanden en twee 
jaren later trok hij dit land met een groot. leger binnen. Toen 
hij weldra verscheidene steden veroverd had, meende Johan 
de Witt zijn maatregelen te moeten nemen, om den gevaar- 
lijken vorst terug te drijven. Aan zijn beleid was het te danken, 
dat er nu een Drievoudig verbond tusschen Engeland, 
Zweden en de Republiek tot stand kwam, waardoor Lode- 
wijk XIV genoodzaakt werd, België te verlaten en zijn heersch- 
zuchtige plannen voorloopig op te geven (1668). 



93 

i. Wat kon de troonsbeklimming van Karel II in ons land tengevolge 
hebben '? 

2. Wat maakte een langen vrede onmogelijk'? 

3. Wie verbrak dien het eerst en op welke wijze? 

4. Aan wien was het te danken, dat onze vloot grooter was dan ooit 
te voren'? 

5. De Vierdaagsche Zeeslag was hevig geweest. Waaruit zoudt gij dat 
kunnen afleiden? 

6. Waarom was de daad der Engelschen op Terschelling zoo laaghartig'? 

7. Waardoor was de tocht naar Chattam een veel ridderlijker bestraffing? 

8. Welk gevolg had die tocht? 

9. Wat maakte den vrede noodzakelijk? 

10. Waartoe diende het Drievoudig verbond? 

11. Het is beter Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben, zeiden 
onze voorouders. Verklaar eens waarom. 



37. De oorlog van 1672. 

De heerschzuchtige Lodewijk XIV kon het onze Republiek 
maar niet vergeven, dat zij hem in zijn verovering van België 
gestuit had. Hij besloot daarom, ons zoo spoedig mogelijk ge- 
voelig te straffen. Het gelukte hem door groote sommen 
Karel II, die veel geld verkwistte, tot zijn bondgenoot te maken, 
terwijl hij ook weldra de vriendschap van Zweden wist te 
koopen. Bovendien haalde hij den bisschop van Munster en 
den keurvorst van Keulen tot zijn belangen over en besloot 
toen, ons den krijg aan te doen. In April van het jaar 1672 
verklaarden Frankrijk en Engeland ons den oorlog, terwijl 
ook Munster en Keulen spoedig dit voorbeeld volgden. 

De Staten zagen met groote bezorgdheid de toekomst te ge- 
moet. Brandenburg, de Duitsche keizer en Spanje waren wel 
onze bondgenooten, maar wij hadden niet veel van hen te 
hopen. Het landleger bestond uit niet meer dan 20000 slecht 
geoefende soldaten en de vestingen waren vervallen. Alleen de 
vloot was in goeden staat. Men had den 21 -jarigen prins van 
Oranje het opperbevel over het leger opgedragen, maar hij 
was in de krijgszaken nog weinig ervaren. In Mei trok het 
Fransche leger tegen de Republiek op; het was 120000 man 
sterk en werd door uitstekende veldheeren aangevoerd. De 



94 

Staten hadden verwacht, dat Maastricht het eerst door Lode- 
wijk XIV zou belegerd worden, en daarom was die stad terdege 
versterkt. Men kon dan den vijand eenigen tijd bezig houden 
en zoo zouden wij intusschen gelegenheid hebben, ons beter 
tot den oorlog voor te bereiden. Maar de Franschen trokken 
Maastricht voorbij en staken bij Lobit op een ondiepe plaats, 
hun door een laaghartigen Nederlander aangewezen, den Rijn 
over. Een Hollandsche legerafdeeling trachtte dit wel te be- 
letten, doch te vergeefs : de Franschen bereikten den anderen 
oever, hoewel niet zonder verlies. Hun aanvoerder, de prins 
van Condé, had het plan opgevat eenige duizenden ruiters, 
elk met een soldaat achter zich, snel naar Amsterdam te laten 
oprukken en op die wijze de stad te verrassen. Doch dit gevaar 
werd gelukkig afgewend door een wonde, welke Condé in 
het gevecht bij Lobit ontving. 

De Prins zag wel in, dat Gelderland en Utrecht niet meer 
te behouden waren; hij trok daarom met zijn leger van den 
IJsel naar de Hollandsche grenzen terug. In tien dagen waren 
nu de Franschen bijna geheel meester van de twee genoemde 
gewesten en Lodewijk XIV sloeg zelfs bij Utrecht, in het kamp 
van Zeist, zijn legerplaats op. Ook de Munsterschen en Keul- 
schen hadden belangrijke veroveringen gemaakt : het costen 
van Gelderland, geheel Overijsel en de vesting Koevorden 
waren door hen genomen. 

Groot was de verslagenheid, die zich van ons volk meester 
maakte : alle handel stond stil, de winkels en scholen waren 
gesloten en de rechtbanken geschorst. Men trad wel in onder- 
handeling met den vijand, maar deze deed zulke overdreven 
eischen, dat men ze dadelijk verwierp. Lodewijk XIV eischte 
o. a. ongeveer de helft van ons land, benevens 16 millioen voor 
oorlogskosten; Karel II wilde ons dwingen, dat zelfs voor één 
Engelsch schip voortaan onze geheele vloot de vlag zou strijken 
en vorderde behalve 8 millioen oorlogskosten nog afstand van 
Vlissingen, Brielle en Sluis. 

Tijdens de onderhandelingen had men een deel van Holland 



95 

onder water gezet, waardoor de Franschen voorloopig ver- 
hinderd werden verder door te dringen. 

Het volk was intusschen oproerig geworden : het gaf de 
schuld van den benarden toestand des lands aan de regeerende 
personen, en inzonderheid steeg de haat tegen den Raadpen- 
sionaris en diens broeder Cornelis de Witt. Steeds krachtiger 
eischte men verheffing van den Prins tot stadhouder, omdat 
men van hem in dezen nood uitkomst verwachtte. Veere gaf het 
voorbeeld, andere steden in Zeeland en Holland volgden, en 
zoo werd in het begin van Juli de Prins als Willem III tot 
stadhouder van deze twee gewesten uitgeroepen. Johan de Witt 
nam daarop zijn ontslag als Raadpensionaris. Niet lang daarna 
werd hij met zijn broeder door het Haagsche gepeupel op 
een onmenschelijke wijze vermoord. 

i. Waarom wilde Lodewijk XIV ons straffen? 

2. Hoe ging het Drievoudig verbond teniet? 

3. Noem eens de bondgenooten van ons en van Lodewijk XIV op. 

4. Lodewijk achtte de verovering der Republiek geen gemakkelijke taak. 
Waaruit blijkt dat? 

5. Door welke omstandigheden was het gevaar voor ons dubbel groot? 

6. Welke veroveringen maakten de vijanden? 

7. Welke eischen stelden Lodewijk XIV en Karel II? 

8. Welk gevolg had dit voor den jongen Prins? 

9. Wat gebeurde er met de gebroeders De Witt? 



38. Het einde van den oorlog. 

Intusschen had de bisschop van Munster het beleg voor Gro- 
ningen geslagen, maar onder den bevelhebber Rabenhaupt 
verdedigde de stad zich zoo dapper, dat de vijand met 5000 
man verlies moest aftrekken. De moedige bezetting wist zelfs 
kort daarop Koevorden te hernemen, waardoor Drente van 
den vijand bevrijd werd. 

Toen het begonnen was te vriezen, wilden de Franschen 
over het ijs naar Den Haag trekken, maar door den invallenden 
dooi mislukte deze onderneming. Toch werden Zwammerdam 
en Bodegraven door de terugkeerende Franschen geplunderd 



96 

en vreeselijk uitgemoord. Kort daarna verwierven wij in Dene- 
marken en Lotharingen nieuwe bondgenooten, die nu met den 
keizer van Duitschland en den koning van Spanje ons krach- 
tiger begonnen bij te staan. 

De Prins bracht een talrijk leger bijeen, terwijl Holland en 
vooral Amsterdam zich zoo hadden versterkt, dat de Franschen 
van een verderen aanval op die provincie afzagen. 

Gedurende den oorlog beproefden de Engelschen meermalen 
een leger aan land te zetten, maar door de dappere houding 
van De Ruyter was dit telkens mislukt. In het jaar 1673 werden 
zij door hem en Cornelis Tromp niet minder dan driemaal 
geslagen; de laatste slag, die bij Kijkduin, was zoo beslissend, 
dat de vijand voorgoed van zijn landingsplan moest afzien. 

Willem III begon weldra met kracht tegen den vijand op te 
treden. Aan het hoofd van een Spaansch-Nederlandsch leger 
trok hij naar Duitschland en ontnam onverwachts aan den 
keurvorst van Keulen, Lodewijks bondgenoot, het sterke Bonn. 
De Fransche koning werd bevreesd voor zijn eigen grondge- 
bied en riep daarom zijn leger uit ons land terug. Nog voor 
het einde van 1673 was, op Maastricht en Grave na, de 
Republiek van den vijand bevrijd. 

De Engelschen hadden niets dan nadeelen geleden; in twee 
jaar waren meer dan 2000 hunner schepen door onze kapers 
genomen. Het volk daar werd zoo ontevreden, dat het den 
Koning dwong den oorlog te staken. Zoodoende kwam in 1674 
de vrede met Engeland te Westminster tot stand, waarbij wij 
2 millioen oorlogskosten moesten betalen. Munster en Keulen 
volgden kort daarna het voorbeeld van Engeland, zoodat nog 
alleen met Frankrijk de oorlog werd voortgezet. Dit geschiedde 
vooral in de Zuidelijke Nederlanden. 

Terzelfder tijd vielen de Franschen de Spanjaarden in de 
Middellands che Zee aan, waarom de laatsten onze hulp inriepen. 
De Staten-Generaal gaven hieraan gehoor en zonden er De 
Ruyter heen, die bij het eiland Sicilië wel een overwinning 
behaalde, maar ten koste van zijn leven. De grijze held stierf 



97 

aan zijn bekomen wonden in de haven van Syracuse (1676). 
De Staten lieten hem op 's Lands kosten begraven en richtten 
op zijn graf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een prachtig 
eereteeken op. De Ruyter was in 1607 te Vlissingen geboren 
en had het van wieldraaier in de lijnbaan tot luitenant-admiraal 
gebracht. Hij heeft 55 gevechten, waaronder 15 groote zee- 
slagen, geleverd en de Republiek onschatbare diensten bewezen. 
Frankrijk begon naar den vrede te verlangen, die in 1678 
te Nijmegen tot stand kwam. Gunstiger uitkomst hadden wij 
niet kunnen verwachten, want wij verloren geen duimbreed 
gronds. Voor een goed deel was dit te danken aan het beleid 
van Willem III, die na het vertrek der Franschen uit ons land 
ook tot stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijsel was 
verkozen. Spoedig daarna hadden deze drie gewesten, benevens 
Holland en Zeeland, het stadhouderschap erfelijk verklaard 
in de mannelijke lijn, evenals de Staten-Generaal dit met de 
betrekking van kapitein-generaal en admiraal der Unie hadden 
gedaan. 

1. Welke gebeurtenissen gaven ons nieuwen moed? 

2. Waarom was de slag bij Kijkduin zoo belangrijk? 

3. Waardoor werden de Franschen gedwongen ons land te verlaten? 

4. Om welke reden sloot Engeland vrede? 

5. Waarom werd De Ruyter naar de Middellandsche Zee gezonden? 

6. Wat maakte de overwinning bij Sicilië voor ons zoo treurig? 

7. Vertel eens iets van De Ruyter. 

8. Wat bepaalde de vrede met Frankrijk? 

9. In welke gewesten werd Willem lil niet gekozen als stadhouder? 



39. De negenjarige oorlog (1688-1697). 

Lodewijk de Veertiende bleef een gevaarlijk vorst voor zijn 
naburen; zoo ontzag hij zich b.v. niet, in vollen vrede geheele 
landstreken van Duitschland in bezit te nemen. Daarom stelde 
Willem III zich ten doel, hem te bestrijden en zijn heersch- 
zucht te keer te gaan. Een onverwachte gebeurtenis gaf den 
Stadhouder gelegenheid zijn plannen ten uitvoer te brengen. 
pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6de druk. 7 



98 



In r685 was in Engeland Karel II gestorven en door zijn 
broeder Jacobus II opgevolgd. Deze vorst regeerde zeer streng 
en begunstigde vooral de katholieken, waardoor hij de onte- 
vredenheid 



zijner protestant- 
sche onderdanen 
opwekte. Deze 
wisten Willem 
III, die met Jaco- 
bus' oudste doch- 
ter getrouwd 
was, over te ha- 
len, zijn schoon- 
vader te verdrij- 
ven. Onze Staten 
aarzelden eerst 
wel, den Stad- 
houder hun hulp 
te verstrekken, 
doch de hoop, 
dat door een 

bondgenoot- 
schap met Enge- 
land de Acte van 
Navigatie zou in- 
getrokken wor- 
den, ten voor- 
deele van onzen 
handel, deed hen 
tot ondersteu- 
ning besluiten. In 
November 1688 
kwam Willem III 
met een groote 
vloot en 21 000 




Landhuis uit het begin der 18e eeuw. 



99 

man in Engeland aan en trok terstond Londen binnen. Jacobus 
vluchtte naar zijn beschermer Lodewijk XIV en hierop werden 
onze Stadhouder en zijn gemalin tot koning en koningin van 
Engeland uitgeroepen (1689). 

Thans verklaarde Lodewijk ons den oorlog in de hoop, 
Willem III weer uit Engeland te zullen verdrijven. Door het 
beleid van onzen Stadhouder hadden Engeland, Nederland, 
de Duitsche keizer en Spanje met elkander een verbond ge- 
sloten, om den heerschzuchtigen koning van Frankrijk ge- 
zamenlijk te bestrijden. Jacobus deed in 1690 met een Fransch 
leger een inval in Ierland, maar werd door zijn schoonzoon 
verslagen en andermaal verdreven. Daarentegen verloren de 
bondgenooten den slag bij Fleurus in Henegouwen en werd 
onze vloot door de werkeloosheid der Engelschen bij kaap 
Bevesier geslagen. In 1692 echter vernietigde de Engelsch- 
Nederlandsche zeemacht in de baai La Hogue een groot deel 
der Fransche vloot, welke voornemens was, een leger naar 
Ierland over te brengen. Door deze nederlaag verloor Jacobus 
zijn laatste hoop, ooit weer den Engelschen troon te zullen 
beklimmen. In de Zuidelijke Nederlanden bleven de Franschen 
in het voordeel; zij wonnen er o. a. de slagen bij Steenkerken 
en Neerwinden. In 1695 werd evenwel de vesting Namen door 
Willem III heroverd. 

Daar men na dien tijd niet veel meer uitrichtte en geldgebrek 
van beide zijden de staking der vijandelijkheden wenschelijk 
maakte, werden de onderhandelingen te Rijswijk geopend, 
waar in 1697 de vrede tot stand kwam. Lodewijk XIV erkende 
daarbij onzen Stadhouder als koning van Engeland. 

Het koningschap van Willem III bracht onze Republiek niet 
dat voordeel aan, waarop zij gehoopt had. Onze handel had 
groote schade geleden, en wie soms gemeend had, dat de 
Acte van Navigatie verzacht zou worden, werd deerlijk teleur- 
gesteld : zij bleef in haar volle kracht bestaan. Gelukkig voor 
onze kooplieden was er in de laatste tijden een nieuwe handels- 
weg geopend door een nauwere betrekking, welke met Rusland 



IOO 

was aangeknoopt. De keizer der Russen, Peter de Groote, 
wilde zijn ruwe onderdanen beschaven en deed daarvoor zelf 
een reis door West-Europa. Hij vertoefde o. a. te Zaandam 
en te Amsterdam en nam bij zijn vertrek verscheidene Neder- 
landers mede, die veel tot de beschaving van Rusland hebben 
bijgedragen. 

Een jaar vóór den vrede van Rijswijk was Willem III ook 
stadhouder van Drente geworden; Hendrik Kasimir II was 
nl. gestorven en door zijn zoon Jan Willem Friso alleen in 
Friesland en Groningen opgevolgd. 

i. Waaruit blijkt, dat Lodewijk XIV na den vrede van Nijmegen nog 
even heerschzuchtig was? 

2. Waarom verzochten de Engelschen juist Willem III om hulp? 

3. Wat deed de Staten tot die hulp besluiten? 

4. Welk gevolg had de troonsbeklimming van Willem III? 

5. Waar werd de oorlog gevoerd? 

6. Waardoor was de slag in de baai La Hogue van gewicht? 

7. Waar werd de vrede gesloten en wat bepaalde die? 

8. Welk gevolg had het bezoek van Peter den Grooten voor ons? 

9. Welke Friesche stadhouders hebt ge reeds leeren kennen? 



40. Spaansche Successie-oorlog (1702-1713). 

De vrede was van korten duur. In 1700 stierf de koning 
van Spanje zonder kinderen na te laten; hij had bij testament 
den kleinzoon van Lodewijk XIV, Filips van Anjou, tot op- 
volger benoemd, die dan ook in het volgende jaar te Madrid 
ingehuldigd werd. Maar de keizer van Duitschland was daar- 
mee volstrekt niet tevreden; aan zijn tweeden zoon Karel was 
volgens een verdrag met Lodewijk een deel der Spaansche 
landen beloofd. 

Onze stadhouder koos de partij van den Duitschen keizer ; 
hij vreesde nl. dat Spanje en Frankrijk aan één vorst zouden 
komen, en zulk een rijk was te gevaarlijk voor zijn naburen. 
Ook ditmaal werd door zijn bemiddeling tegen Frankrijk een 
verbond tot stand gebracht, o. a. tusschen Engeland, Nederland, 
Duitschland en Portugal. Vóór echter de oorlog uitbrak, stierf 
Willem III door een val van het paard (1702). Hij liet geen 
kinderen na en werd in Engeland door zijn schoonzuster Anna 



lOI 



opgevolgd. Drente verkoos den Frieschen stadhouder Jan 
Willem Friso, maar de vijf overige gewesten benoemden geen 
opvolger, zoodat toen het tweede stadhouderlooze tijd- 
perk begon. Kort na Willems dood verklaarden de bondge- 
nooten Lodewijk den oorlog. Deze krijg is bekend onder den 
naam van Spaansche Successie-oorlog. 

In dezen oorlog was Lodewijk zeer ongelukkig; hij had geen 
bekwame veldheeren meer zooals vroeger. Het Duitsche leger 
daarentegen werd aangevoerd door den talentvollen prins 
Eugenius van Savoye, terwijl het Nederlandsch-Engelsche leger 
onder den bekwamen hertog van Marlborough stond. Vooral 
in België behaalden de beide veldheeren schitterende over- 
winningen; de bekendste daarvan zijn de slagen bij Ramillies, 
Oudenaarden en Malplaquet. In den laatsten slag, waarin niet 
minder dan 42 000 menschen sneuvelden, gedroeg zich Jan 
Willem Friso zeer dapper, waarom hij den bijnaam van „den 
held van Malplaquet" ontving (1709). 

Door al deze nederlagen geraakte Lodewijk zoo uitgeput, dat 
hij een zeer voordeeligen vrede aanbood: hij wilde den zoon 
van den Duitschen keizer als koning van Spanje erkennen en 
zijn eigen kleinzoon aan zijn lot overlaten. Maar toen de Bond- 
genooten in hun overmoed hem wilden dwingen, Filips te 
helpen verdrijven, brak hij eensklaps alle onderhandelingen af. 
Tegelijkertijd hadden er onverwachts twee gebeurtenissen 
plaats, die een geheele verandering teweeg brachten. In 1705 
was de Duitsche keizer gestorven en door zijn oudsten zoon 
zoowel in de Oostenrijksche erflanden als in Duitschland op- 
gevolgd. Toen deze in 171 1 kinderloos overleed, volgde zijn 
broeder, die steeds aanspraak op Spanje had gemaakt, hem 
in beide waardigheden op. Daarom vonden de Bondgenooten 
het bedenkelijk, hem langer te steunen, immers Spanje zou 
dan toch met een niet minder groot rijk vereenigd worden. 
Verder werd de hertog van Marlborough, die in ongenade 
was gevallen, teruggeroepen, en Engeland besloot toen zich 
geheel aan den strijd te onttrekken. 



102 

In deze omstandigheden, die natuurlijk zeer ten voordeele 
van Frankrijk waren, werden opnieuw de onderhandelingen 
geopend, die in 17 13 tot den vrede van Utrecht leidden. Lode- 
wijks kleinzoon werd als koning van Spanje erkend, maar de 
Zuidelijke Nederlanden kwamen aan Oostenrijk. Bovendien 
mochten wij, tot grootere veiligheid, in het zuiden van België 
nog verschillende vestingen aan de grenzen bezetten, die daar- 
om Barrière-steden geheeten werden. 

1. Hoe gaf de dood van den koning van Spanje aanleiding tot een 
nieuwen oorlog? 

2. Hoe zou door de opvolging van Lodewijks kleinzoon Frankrijk later 
onze nabuur kunnen worden? 

3. Vertel nu eens, waarom Willem III zich tegen de troonsbeklimming 
van Filips van Anjou verzette. 

4. Waarom zou Portugal zich bij de Bondgenooten hebben aangesloten ? 

5. Voor welke gewesten begon in 1702 de tweede stadhouderlooze 
regeering ? 

6. Wie behaalde in den slag van Malplaquet veel roem? 

7. Welke twee gebeurtenissen hielpen Lodewijk XIV uit zijn benarden 
toestand ? 

8. De Republiek bereikte bij den vrede van Utrecht toch haar doel. Ver- 
klaar dat eens. 

9. Welken naam kregen voortaan de Spaansche Nederlanden ? 



41. Oost en West. 

Na den vrede van Munster breidde de O.-I. Compagnie haar 
bezittingen nog belangrijk uit. In 1652 kocht een zekere 
scheepsdokter, Jan van Riebeek geheeten, aan kaap de Goede 
Hoop voor haar een streek gronds van de Hottentotten. Hij 
stichtte hier een Nederlandsche volkplanting, waar de Hol- 
landsche schepen op hun reizen naar en van Oost-Indië ver- 
verschingen konden bekomen. Deze kolonie kwam weldra door 
veeteelt, land- en wijnbouw tot eenigen bloei. 

Ook in Azië werden tal van veroveringen gemaakt, vooral 
onder het bestuur van den bekwamen gouverneur-generaal 
Johan Maatsuiker (1653 — 1678). De Portugeezen werden van 
het kaneeleiland Ceylon verdreven en weldra ook van de 
kusten van Voor- en Achter-Indië. Op verschillende eilanden 
kregen wij vasten voet ; op Sumatra werden Palembang en 



i°3 

Padang schatplichtig, en op Celebes bedwong de Compagnie 
na een hevigen, maar roemrijken strijd den inlandschen vorst 
van Makasar, die genoodzaakt werd, voortaan de Engelschen 
en Portugeezen uit zijn gebied te weren en alleen Nederlanders 
toe te laten. Ook op Java werden groote veroveringen gemaakt; 
tot nog toe was alleen Batavia in 't bezit der Compagnie ge- 
weest, maar onder Maatsuiker werd reeds geheel Midden-Java 
onderworpen en verkreeg de Compagnie den alleenhandel in 
het rijk van Bantam. Een belangrijk verlies echter leed zij 
in 1662. toen het eiland Formosa door Chineesche zeeroovers 
vermeesterd werd. 

In dezen tijd had de Oostindische Compagnie Tiaar grootsten 
bloei bereikt ; wat aan verschillende kleine vereenigingen niet 
zou gelukt zijn, had zij tot stand gebracht : bijna overal waren 
de Engelschen en Portugeezen verdreven en de inlandsche 
vorsten met schrik en ontzag voor haar bevangen. Verbazend 
waren de sommen, die haar aandeelhouders verdienden. In 
1697 b.v. kwam uit Indië een vloot, waarvan de lading voor 
5 millioen gekocht was en die in Nederland 20 millioen op- 
bracht ! Bij zulke winsten kon de Compagnie ook den Staten- 
Generaal dikwijls hulp verleenen; zoo versterkte zij in den 
tweeden Engelschen oorlog onze vloot met 20 oorlogsschepen 
en in het ongeluksjaar 1672 leende zij twee millioen gulden 
aan de Staten van Holland. 

Ook onder de opvolgers van Maatsuiker werd haar grond- 
bezit nog voortdurend uitgebreid. Had de Compagnie een 
landstreek veroverd, dan liet zij meestal het gebied door de 
overwonnen vorsten wel behouden, maar zij zond er tevens 
Nederlanders heen, die op alles toezicht moesten hebben. De 
onderworpen vorsten waren verplicht, jaarlijks een zekere 
schatting op te brengen en bovendien bepaalde waren, als 
rijst, suiker, kaneel en koffie tegen een vasten, lagen prijs 
te leveren. Dit gaf natuurlijk groote winsten, maar leidde dik- 
wijls tot verdrukking der inlandsche bevolking, die voor een 
gering loon tot harden arbeid gedwongen werd. 



104 

Ook de Westindische Compagnie verkreeg, gelijk wij zagen, 
al spoedig een aanzienlijk grondbezit. Reeds in 1636 waren 
haar eigendommen in Brazilië belangrijk genoeg geworden, 
om er Johan Maurits van Nassau, een kleinzoon van graaf 
Jan, als gouverneur heen te zenden, die de bezitting weldra 
tot bloei en welvaart bracht. Maar kort hierna begon eén 
groot gevaar te dreigen; in 1640 namelijk werd Portugal van 
de Spaansche heerschappij bevrijd en van toen af spande het 
alle krachten in, om zijn vroegere bezittingen terug te krijgen. 
Zoo trachtte het ook Brazilië weer te veroveren, en hoewel 
Johan Maurits bij het naderend gevaar de Compagnie dringend 
om versterking verzocht, gaf zij geen gehoor aan zijn verzoek. 
Gekrenkt nam hij zijn ontslag en keerde naar het vaderland 
terug. Onder zijn opvolgers ging de kolonie zóó achteruit, dat 
men binnen kort alle bezittingen op een enkele vesting na 
verloren had. Toen ook deze laatste sterkte in 1654 door de 
Portugeezen veroverd werd, besloot de Compagnie voor slechts 
8 millioen gulden Brazilië af te staan. Van dat oogenblik ai 
ging zij met rassche schreden achteruit, temeer nu door den 
vrede van Munster de voordeelige kaapvaart (zeerooverij) moest 
gestaakt worden. In 1674 hield de Compagnie dan ook wegens 
haar vele schulden geheel op te bestaan. Een nieuwe Com- 
pagnie was al even ongelukkig; alleen enkele Westindische 
eilanden en Suriname bleven voor "haar behouden. 

1. De Transvalers zijn afstammelingen van Nederlandsche volkplanters 
aan de Kaap. Wie heeft die volkplanting gesticht? 

2. Welke veroveringen maakte de O.-I. Comp. onder Maatsuiker'? 

3. Welk verlies leed zij echter? 

4. Waarom was het voor de Compagnie van belang, dat de Engelschen 
en Portugeezen verdreven werden? 

5. Noem eens iets op, waaruit blijkt, dat de Compagnie veel geld verdiende. 

6. Hoe kwam haar bloei ook den Staten ten goede? 

7. Hoe handelde de Compagnie met de veroverde landen? 

8. Welke gebeurtenis gaf aanleiding, dat Brazilië verloren ging? 

9. Verklaar eens, waarom de W.-I. Compagnie dit verlies zich zelve te 
wijten had. 

10. Welk nadeel leed de Compagnie door den vrede van Munster? 



i°5 
42. Tweede stadhouderlooze regeering (1702 1747). 

De dappere Jan Willem Friso, de held van Malplaquet, kwam 
in 171 1 bij het overvaren van het Hollandsch Diep bij den 
Moerdijk jammerlijk om het leven. Kort na zijn dood werd 
zijn zoon Willem Karel Hendrik Friso geboren, die hem alleen 
in Friesland onder voogdij zijner moeder opvolgde. Daardoor 
strekte zich thans de stadhouderlooze regeering over zeven 
gewesten uit. Doch reeds in 1718 koos Groningen, en vier jaar 
later ook Drente en Gelderland den jeugdigen Friso tot stad- 
houder. 

Hebben wij tot nog toe onze kleine Republiek door haar 
macht en aanzien een voorname plaats onder de Europeesche 
staten zien innemen, van nu af komt er een tijd, waarin haar 
roem hoe langer hoe meer begon te tanen. Het is niet moeilijk 
daarvan de oorzaken te vinden. Door den langen en kostbaren 
Spaanschen Successie-oorlog was de schuld der Republiek met 
350 millioen toegenomen, terwijl daarentegen haar inkomsten 
zelfs verminderd waren. Om nu dien ongunstigen toestand der 
geldmiddelen te verbeteren, werden er groote bezuinigingen 
op leger en vloot gemaakt. De Regeer ing ging daartoe des 
te eerder over, daar zij meende door België en de Barrière- 
steden een veiligen muur tegen Frankrijks heerschzucht ge- 
kregen te hebben. Maar de Staten dreven die bezuiniging 
veel te ver ; zij namen zich voor, in het vervolg aan geen enkelen 
oorlog meer deel te nemen, en lieten zelfs hun vloot en vestingen 
vervallen. Dat dit zoo ver kwam, vond zijn oorzaak in de wijze, 
waarop de bestuurders van stad en gewest verkozen werden. 
Zoolang Johan de Witt en Willem III met krachtige hand 
regeerden, had men in de Republiek één hoofd, dat alles regelen 
kon. Toen echter de tweede stadhouderlooze regeer ing was 
ontstaan en men geen raadpensionaris als Johan de Witt meer 
had, gingen de zoo noodige eendracht en samenwerking ver- 
loren. De vroedschappen konden, daar er geen stadhouder 
was om uit een voordracht te kiezen, zelve hun mederegenten 



jo6 



bertoemen. waarvoor zij in de eerste plaats hun familieleden 
of goede vrienden namen. Op bekwaamheid werd niet meer 
gelet, slechts geboorte kon iemand een post bezorgen, dien de 
vroedschap voor hem zeer winstgevend wist te maken. Kin- 
deren in de wieg werden soms reeds officier, natuurlijk om 
de geldelijke voordeden, die zulk een benoeming meebracht. 




i. Egyptische haardracht. — 2. Pruik onder Lodewijk XIV. — 3. Omstreeks 

T 73 a — 4- Achterzijde van de vorige. — 5 en 8. Omstreeks 1750. — 

7. Omstreeks 1770. — 10. Vorige op zijde gezien. — 6. Vrouwenkapsel 1775. 

9. Romeinsche vrouw. 

Zoo kwam het, dat weldra alleen enkele familiën regeerden 
in de steden en daardoor ook in de Staten. Dit bestuur noemt 
men in onze geschiedenis de f a m i 1 i e-r e g e e r i n g die een 
zeer nadeeligen invloed op de Republiek heeft gehad. Die 
regenten waren namelijk meestal alleen bedacht op hun eigen 



107 

voordeel en verwaarloosden de algemeene belangen, zooals leger 
en vloot. Hiervan ondervonden ook onze handel en scheep- 
vaart de nadeelige gevolgen; waar vroeger de Staten niet ge- 
schroomd hadden voor het algemeen welzijn een flinke vloot 
te onderhouden, liet men tijdens het tweede stadhouderlooze 
tijdperk de schepen vervallen, om maar geen geld uit te geven. 
De kooplieden, die op geen voldoende bescherming voor hun 
schepen konden rekenen, durfden geen belangrijke onder- 
nemingen meer wagen ; en zoo verslapte weldra de groote 
ondernemingsgeest, die onze Republiek eens zoo machtig had 
gemaakt. Zoo bijv. boden de Staten aan de Afrikaansche 
roovers, die onze koopvaardijschepen in de Middellandsche 
Zee herhaaldelijk plunderden, een jaarlijksche som van 20000 
gulden aan, om hun kaperijen af te koopen. Zoo ver was het 
volk van de Trompen en de De Ruyters reeds gezonken ! En 
toen in 17 15 Zweden aan Rusland en Denemarken den oorlog 
verklaarde, zonden de Staten ter bescherming van onzen handel 
er eerst 20 oorlogsschepen heen, in het volgende jaar nog 
maar 10 en in 1717 lieten zij onze koopvaarders geheel aan 
hun lot over. Wel poogden enkele raadpensionarissen verbete- 
ringen in te voeren, maar alles stuitte af op den onwil der 
zelfzuchtige regenten. 

Het spreekt van zelf, dat met het verloopen van handel en 
scheepvaart ook de andere takken van bestaan moesten gaan 
kwijnen. De vroeger zoo bloeiende houtzagerijen, zeilmakerijen, 
scheepswerven, enz. vervielen bijna geheel ; hetzelfde lot onder- 
gingen de lakenfabrieken te Leiden en elders tot schade van 
velen. Bovendien kwam de gewoonte op, dat vele rijke koop- 
lieden hun geld tegen hooge rente aan vreemde volken, o. a, 
Engeland, gingen leenen; hierdoor waren onze buren in staat 
groote ondernemingen op touw te zetten, waardoor zij ons in 
handel, scheepvaart en nijverheid weldra overvleugelden. Geen 
wonder, dat de armoede ontzettend steeg en velen van de 
algemeene liefdadigheid moesten leven. 

Scherp stak deze ellende der volksklasse af bij de ongekende 



io8 



weelde, die de vele rijkgeworden kooplieden thans ten toon 
spreidden. Hun huizen, in trapgevels uitloopend, prijkten van 
binnen met kostbare meubels, groote schilderijen, fijn porcelein 
en goudleeren behangsels. Duizenden en tienduizenden werden 
besteed aan goud- en zilverwerk, kanten en juweelen. Vele 
buitenverblijven mochten vorstelijk genoemd worden; de Vecht- 
streek was door de rijkgeworden Amsterdammers in een waar 
lustoord herschapen. Niet minder kostbaar was de kleeding; 
de pruiken en steken waren kenmerkend bij de mannen, terwijl 
de vrouwen kapsels van soms een halven meter hoog droegen 
en zich in wijduitstaande japonnen kleedden. 




Uit de 18e eeuw. 

Dit alles was een gevolg van het naapen der Fransche 
gebruiken; zelfs bedienden, koks, muziekmeesters, kappers, 
onderwijzers, ja wat niet al, liet men bij voorkeur uit Frankrijk 
komen. Jammer, dat daardoor de oud-Hollandsche degelijk- 
heid en zuinigheid verdwenen. 

In dezen tijd werden de aardappelen algemeen ingevoerd ; 
men had tot nog toe bijna dagelijks erwten, boonen, groenten 
en meelspijzen gebruikt, maar van nu af begon de goedkoopere 
aardappel voor velen het hoofdvoedsel te worden. 



109 

De steden waren thans 's avonds door lantarens verlicht: 
deze laatste waren, evenals de slangbrandspuiten, door Jan 
van der Heyden te Amsterdam uitgevonden. 

i. Welke gewesten waren in 1722 zonder stadhouder? 

2. De Spaansche Successie-oorlog had nadeelige gevolgen voor ons. 
Hoe zoo? 

3. Verklaar eens, waarom het beter was geweest, dat de Republiek 

f een barrière-steden had verkregen, 
'ijdens het tweede stadhouderlooze tijdperk begon de Republiek te 
vervallen. Waarom ook niet gedurende het eerste ? 

5. Waardoor verdween de eendracht en samenwerking in de Republiek ? 

6. Verklaar eens, waarom ook de handel moest achteruitgaan. 

7. Geef eens een duidelijk bewijs van het verval der Republiek. 

8. Waarom had men niet veel bekwame regenten meer? 

9. Hoe konden de regenten ook hun nadeeligen invloed in de Provinciale 
Staten en Staten-Generaal uitoefenen? 

ro. Waaruit bleek de rijkdom van vele kooplieden? 

11. Welke waren de oorzaken van den achteruitgang in handel en 
nijverheid? 

12. Wat weet gij van de kleeding? 

13. Waardoor werd de aardappel vooral voor den minderen man het 
hoofdvoedsel? 

14. Waardoor maakte Jan van der Heyden zich verdienstelijk? 



43. Oostenrijksche Successie-oorlog (1741-1748). 

In de Oostenrijksche landen mochten geen vrouwen regeeren. 
Toch wist Karel VI, die tevens keizer van Duitschland was. 
te bewerken, dat eenige Europeesche staten zijn dochter Maria 
Theresia tot opvolgster erkenden en beloofden, haar zoo noodig 
bij te staan. Ook de Republiek legde die belofte af. Nauwelijks 
echter was de Keizer in 1740 gestorven, of sommige vorsten 
braken hun woord en vielen Maria Theresia aan. Frankrijk 
sloeg als van ouds weer een begeerig oog op de Zuidelijke 
Nederlanden en sloot zich daarom bij Maria's vijanden aan. 
Hierdoor werden de Staten, die zich zoo lang buiten eiken 
oorlog hadden gehouden, toch gedwongen in den uitgebroken 
strijd mede te doen. Zij zonden Maria Theresia eerst gelden 
ter ondersteuning en vervolgens ook hulptroepen. 

De Fransche koning, Lodewijk XV, deed een inval in de 



IIO 

Zuidelijke Nederlanden en veroverde in korten tijd de vervallen 
Barrière-steden. Hij drong verder door, versloeg de legers der 
verbondenen en had in 1746 reeds bijna geheel België in zijn 
macht. Verbolgen over de hulp, die de Staten aan Maria The- 
resia hadden verleend, deed hij vervolgens een inval in 
Zeeuwsch- Vlaanderen, tot grooten schrik van de Republiek. 
Immers de vestingen waren door de verregaande zuinigheid en 
het wanbestuur der regenten zóó vervallen en het leger zóó 
slecht ingericht, dat er aan tegenstand bijna niet te denken 
viel. Dat waren alzoo de wrange vruchten van een verkeerd 
begrepen zuinigheid ! — Toen Sluis zich moest overgeven, werd 
het volk zóó bevreesd, dat het evenals in 1672 weer een prins 
van Oranje tot aanvoerder van het leger verlangde. Juist als 
toen, werd ook ditmaal te Veere de stadhouderlooze regeering 
het eerst afgeschaft en riep men Willem Karel Hendrik Friso 
tot stadhouder uit. Holland, Utrecht en Overijsel volgden spoe- 
dig dit voorbeeld en de Staten-Generaal benoemden hem tot 
opperbevelhebber over het leger en de vloot. Tevens werden 
deze waardigheden erfelijk verklaard, ook in de vrouwelijke 
lijn; zoo was Willem IV, gelijk de Prins voortaan heette, de 
eerste stadhouder van alle gewesten (1747). 

De Franschen gingen voort met hun veroveringen en namen 
Bergen-op-Zoom en Maastricht in. Het zou wellicht weer een 
droeve tijd geworden zijn, nog erger dan in 1672, maar ge- 
lukkig kwam de vrede, die te Aken gesloten werd, spoedig tot 
stand (1748). Hierbij gaf Lodewijk XV al zijn veroveringen 
terug en behield Maria Theresia, met een klein verlies, toch 
haar erfenis. 

Men had van Willem IV, die meer macht dan één zijner 
voorgangers bezat, gehoopt, dat hij belangrijke verbeteringen 
in de regeering zou aanbrengen. Maar velen werden teleur- 
gesteld, al heeft hij ook enkele misbruiken afgeschaft. Een 
paar er van zullen wij hier opnoemen. De belastingen waren 
steeds verpacht geworden; de pachters trachtten door allerlei 
middelen dikwijls meer dan een billijke verdienste te verkrijgen. 



III 

Velen werden binnen korten tijd rijk. De haat van het volk 
tegen hen steeg dan ook met den dag. Toen het door de 
nadering der Franschen eenmaal in beweging was geraakt, 
plunderde het vele pachters woningen. Hierop werd in de meeste 
provinciën een andere wijze van invorderen der belasting inge- 
steld, nl. door ambtenaren, die een vaste bezoldiging ontvingen. 

De opbrengsten der posterijen in Holland waren zeer aanzien- 
lijk en kwamen alleen aan de stedelijke regenten ten goede. 
Ook hierin werd verbetering gebracht, daar de Prins wist te 
bewerken, dat de behaalde winsten voortaan door de provincie 
zouden worden genoten. Eveneens werd op aanraden van 
Willem IV bepaald, dat alle ambten persoonlijk moesten waar- 
genomen en dus niet meer verkocht mochten worden. 

Om de nijverheid aan te moedigen, bepaalde de Prins, dat 
aan zijn hof alleen stoffen, in ons land vervaardigd, mochten 
gedragen worden. Nog wenschte hij andere middelen tot herstel 
van den handel in te voeren, maar hij vond niet den gewenschten 
steun. Zijn zwakke gezondheid belette hem bovendien veel 
te doen. 

Reeds in 1751 stierf hij. 

1. Hoe ontstond de Oostenrijksche Successie-oorlog? 

2. Van wie waren de Zuidelijke Nederlanden? 

3. Waarom hielden de Staten hun woord? 

4. Hoe kwam het, dat Lodewijk XV in ons land viel? 

5. Op welke wijze kwam het wanbestuur der regenten aan het licht? 

6. Waarom zou de inval der Franschen toen nog ernstiger gevolgen 
gehad hebben dan in 1672? 

7. Wanneer werd Willem Hendrik Karel Friso in de verschillende 
gewesten Stadhouder? (Denk ook aan de vorige les!) 

8. Waarom was de haat tegen de pachters zoo groot? 

9. Welke verbeteringen werden ingevoerd? 
10. Wat deed Willem IV voor de nijverheid? 



44. Willem V (1751-1795). Oorlog met Engeland (1780 1784). 

Willem IV liet bij zijn dood een driejarigen zoon, Willem V, 
na, die hem onder voogdij zijner moeder opvolgde. Zij werd 
bijgestaan door een Duitsch officier, den hertog van Brunswijk- 



112 



Wolfenbüttel, die voor den jeugdigen stadhouder de waardig- 
heid van kapitein-generaal waarnam en hem in de krijgszaken 
onderrichtte. 

Al spoedig brak er voor de Voogdes een moeilijke tijd aan. 
Er ontstond tusschen Frankrijk en Engeland een oorlog, waarin 
beide rijken ons tot bondgenoot wenschten, hoewel de Staten 




Kleederdrachten uit het laatst der 1.8e eeuw. 



verklaarden onzijdig te willen blijven. Hierop zocht Frankrijk 
onze vriendschap te verwerven, door ons verschillende handels- 
voordeelen toe te staan; de Engelschen daarentegen waren zoo 
vertoornd over onze weigering tot een bondgenootschap, dat 
zij verscheidene onzer koopvaardijschepen wegnamen. Onze 
oorlogsvloot verkeerde in zulk een jammerlijken staat, dat zij 
daartegen niets doen kon. Het volk was onbillijk genoeg, de 
Voogdes, een Engelsche prinses, daarvan de schuld te geven. 



"3 

Zij liet, zoo schreeuwde men, de vloot opzettelijk vervallen, 
om ons des te gemakkelijker aan haar vaderland over te 
leveren. Na haar dood verkoos men den hertog van Brunswijk 
tot regent, terwijl hij ook tot voogd over den jongen stadhouder 
werd aangesteld (1759). 

Willem V aanvaardde in 1766 zelf het bewind, doch hij bleef 
nog geheel onder den invloed van den Hertog. Hij trachtte al 
heel spoedig verbetering in leger. en vloot te brengen; maar 
de landprovinciën weigerden elke versterking der vloot en de 
zeegewesten wilden geen vermeerdering van het leger toestaan ; 
door dit gebrek aan eendracht en samenwerking bleef alles bij 
het oude. Dat deze verwaarloozing van onze krijgsmacht nood- 
lottig moest worden, zou maar al te spoedig blijken. Engeland 
bezat groote bezittingen in Noord-Amerika, waaruit het vele 
voordeelen trok. Door een onrechtvaardige behandeling, die 
de Amerikanen van Engeland ondervonden, stonden zij tegen 
het moederland op (1773). Onze kooplieden voorzagen de op- 
standelingen van oorlogsbehoeften, waarmee een belangrijke 
winst te behalen was. De Engelschen klaagden hierover bij 
de Staten-Generaal en hoewel onze Regeering den verderen 
handel verbood, stoorden onze kooplieden zich er niet aan. 

Dit wekte niet weinig de verbittering van Engeland op en 
om de Republiek te straffen, verklaarde het ons in 1780 den 
oorlog, waarin wij door den vervallen toestand onzer vloot 
groote verliezen leden. In enkele maanden gingen 200 koop- 
vaardijschepen ter waarde van 15 millioen voor ons verloren; 
de Engelschen beletten geheel en al onze vischvangst op hun 
kusten en veroverden verder vele onzer koloniën in West-lndië, 
Afrika en Azië. Wel werd door Zoutman In 1781 een twijfel- 
achtige overwinning bij Doggersbank op den vijand behaald, 
maar dit kon onzen handel niet beschermen. In 1780 voeren 
b.v. nog ruim 2000 Nederlandsche schepen door de Sont en in 
het volgende jaar nog maar 6. Eerst in 1784 werd de vrede 
gesloten, die voor ons zeer nadeelig was; wel gaven de Engel- 
schen de meeste koloniën terug, maar wij moesten hun voortaan 
pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6de druk. 8 



114 

vrijen handel op Oost-Indië toestaan, waardoor de Compagnie 
groote nadeelen zou lijden. 

i. Wie nam de waardigheden van den jongen Willem V waar'? 

2. Om welke reden namen de Engelschen vele onzer koopvaarders weg? 

3. Waarom was het onbillijk, den slechten staat van leger en vloot aan 
de Voogdes te wijten? 

4. Verklaar eens, waarom b.v. Holland het leger en Gelderland de vloot 
weigerde te versterken. 

5. Waarom was de oorlog met Engeland onze eigen schuld? 

6. Waaruit blijkt, dat onze zeemacht weinig meer beteekende? 

7. Waarom moest de vredes-voorwaarde zoo nadeelig voor de O.-I. C. 
werken? 

8. Hoe ziet ge, dat ook de O.-I. C. weinig macht meer bezat? 

9. Waaruit kunt gij besluiten, dat Willem V geen zelfstandig vorst was? 



45. Ondergang der Republiek (1795). 

In de 35ste les hebben wij gezien, dat er twee partijen in de 
Republiek waren ontstaan, nl. de Staatsgezinden en de Prins- 
gezinden: de eersten waren tegen, de tweeden vóór een stad- 
houder. Langzamerhand was er nog een andere partij bijge- 
komen, die ten slotte eveneens tegen een stadhouder was. Zij 
wenschte nl. de familie-regeering af te schaffen en de regenten 
door de burgers gekozen te zien. Deze volkspartij, gelijk 
zij heette, had van Willem IV bevrediging harer wenschen ver- 
wacht. Doch toen de Prins geen verandering in de wijze van 
regeering bracht en ook Willem V hiertoe niet bij machte 
bleek, beschouwde ten slotte ook de volkspartij den stadhouder 
als haar vijand. Om des te krachtiger te kunnen optreden, ver- 
eenigde zij zich met de Staatsgezinden, al wenschten dezen de 
familie-regeering te behouden. Vereenigd noemden beide par- 
tijen zich Patriotten (vaderlanders). De Prinsgezinden 
noemden hen K e e z e n, die op hun beurt de aanhangers van 
den stadhouder voor Oranjeklanten uitscholden. 

Het duurde niet lang, of de Patriotten begonnen luide hun 
afkeer tegen Willem V lucht te geven en hem zelfs verscheidene 



H5 

rechten te betwisten. Ongelukkig was de Stadhouder een zwak 
vorst, die zich nog steeds door den hertog van Brunswijk liet 
leiden ; zelfs toen men den laatste gedwongen had, het land te 
verlaten, bleef Willem V nog even weifelend in het nemen van 
flinke maatregelen. Dit was zeer te bejammeren, daar men in 
die woelige dagen een krachtig persoon noodig had, om een 
noodlottigen burgertwist te voorkomen. Dat die burgertwist 
spoedig moest uitbreken, werd, helaas ! met den dag duidelijker. 

In de gewesten, waar de Patriotten het sterkst waren, zooals 
in Holland, begon men dagelijks heftiger tegen den Prins uit 
te varen. Het werd verboden, oranjeliederen te zingen of oranje 
te dragen, terwijl Willem V voor een groot dwingeland werd 
uitgescholden. Door dit alles zag hij zich genoodzaakt, Den 
Haag te verlaten en naar Gelderland te wijken, de eenige 
provincie, waar hij nog ontzien werd. In Utrecht en Friesland 
was de partijschap zoo hoog gestegen, dat zelfs de Provinciale 
Staten niet meer met elkander wilden vergaderen, maar elke 
partij een afzonderlijke stad voor haar samenkomsten koos. 

Weldra ontstond er verdeeldheid onder de Patriotten zelve : 
de volkspartij begon nl. zulke heftige eischen te stellen, dat de 
regenten niet langer met hen wilden medegaan. Er werden 
pogingen in het werk gesteld, om den Stadhouder te bewegen 
naar Holland terug te keeren. Daar hij dit weigerde, begaf 
zijn gemalin zich buiten zijn voorkennis op reis van Nijmegen 
naar Den Haag, in de hoop een omwenteling tot stand te 
brengen. Doch zij werd bij Gouda door een Hollandsen legertje 
tegengehouden en genoodzaakt, met haar rijtuig terug te keeren. 
Hierover was zij zoo vertoornd, dat zij door haar broeder, den 
koning van Pruisen, voldoening liet eischen voor de haar aan- 
gedane beleediging. Toen de Staten van Holland daaraan niet 
voldeden, trok in 1787 een Pruisisch leger van 20000 man 
ons land binnen en herstelde overal den Prins in zijn waardig- 
heden. Vele Patriotten werden verbannen, van hun goederen 
beroofd of tot vernederende straffen veroordeeld; duizenden 
namen de vlucht en vestigden zich elders. Met vrij grooten 



n6 

buit beladen keerden de Pruisen in rjpt volgende jaar naar 
hun land terug. 

De Prinsgezinden begonnen thans overal hun tegenstanders 
te verdrukken, zoodat de Patriotten hevig op hen verbitterd 
werden; de rust was dus wel hersteld, maar niet de eendracht. 
De uitgeweken aanhangers der volkspartij zaten dan ook niet 
stil en hoopten, een of ander bondgenoot te verwerven. Weldra 
zou hun wensch vervuld worden. Ook in Frankrijk was het in 
de laatste jaren alles behalve rustig geweest : het volk daar 
had niet het minste aandeel in de regeering en werd tot het 
opbrengen van zware belastingen gedwongen. De adel en de 
geestelijkheid daarentegen genoten vele voorrechten; zij waren 
o. a. van belastingen vrijgesteld. Het volk riep steeds luider 
om verbetering, maar de koning, Lodewijk XVI, was een veel 
te zwak vorst om die verbetering aan te brengen. Daar hij de 
hooge standen wilde ontzien, durfde hij in het beslissende 
oogenblik het volk geen voorrechten verleenen, waardoor 
de derde stand tot oproer oversloeg. Zoo ontstond de groote 
Fransche omwenteling, waarbij het volk zich onder vele gru- 
welen van de regeering meester maakte, den Koning liet ont- 
hoofden en de republiek uitriep. Deze gebeurtenis had gewich- 
tige gevolgen voor een groot deel van Europa, niet het minst 
voor ons land. De Fransche republiek verklaarde namelijk, 
dat zij alle volken, die van hun vorsten verlost wilden worden, 
met haar legers zou bijstaan. Gretig namen de uitgeweken 
Patriotten dit aanbod aan, en in de eerste dagen van 1795 
trokken zij na 8-jarige ballingschap met een Fransch leger 
onder Pichegru onze grenzen over. De Staten van Holland 
lieten den Franschen generaal om een wapenstilstand verzoeken, 
maar deze verklaarde, dat hij niet wilde onderhandelen, zoo- 
lang de Prins nog in het land vertoefde. Willem V scheepte 
zich daarop met zijn gezin naar Engeland in, om geen beletsel 
voor den vrede te zijn. 

1. Vertel nog eens, wanneer en waardoor de Staatsgezinde partij was 
ontstaan. 



ii7 

2. Wat hoopte men van den Prins na het vertrek van den hertog van 
Brunswijk ? 

3. Noem eens de drie partijen in de Republiek op. 

4. Met welk doel verbond zich de volkspartij met haar vijanden, de 
Staatsgezinden? 

5. Waaruit blijkt, dat men zeer heftig werd tegen den Prins? 

6. Verklaar eens, waarom de Prinses naar Den Haag wilde vertrekken. 

7. Door welke maatregelen herstelden de Pruisen de rust? 

8. De Prinses regeerde eigenlijk voor haar zwakken gemaal en was 
zelfs doortastender dan hij. Geef daarvan eens een voorbeeld. 

9. Wat was er in Frankrijk voorgevallen? 
10. Welken invloed had dit op de Republiek? 



46. De Bataafsche Republiek (1795 1806). 

Nauwelijks waren de Franschen ons land binnengetrokken, 
of er kwamen hier groote veranderingen. Ons land kreeg den 
naam van Bataafsche Republiek, waarin Vrijheid, Ge- 
lijkheid en Broederschap zouden heerschen. Een groot deel 
der bevolking was dan ook uitgelaten van vreugde ; men noemde 
de Franschen onze verlossers en alom danste en jubelde men 
om de opgerichte vrijheidsboomen. 

Ons geheele land moest één rijk worden, bewoond door één 
volk. Daarom werden de oude republiekjes opgeheven, hun 
namen afgeschaft en in departementen of onderdeden der 
Bataafsche Republiek veranderd. Zoo bijv. werd de provincie 
Groningen met het noorden van Friesland vereenigd en heette 
voortaan het Departement van de Eems; het zuiden van 
Friesland, Drente, Overijsel en het noorden van de Velu we 
werden eveneens bij elkander gevoegd en verkregen den naam 
van Departement van den Ouden IJsel. Ook de overige ge- 
westen werden op dezelfde wijze verdeeld en versmolten. 

Eveneens hield het oude bestuur, de familie-regeering, op te 
bestaan : voortaan mocht het volk zijn eigen bestuurders kiezen. 
Voorts werden er verschillende andere misbruiken afgeschaft, 
o. a. de voorrechten van den adel. Vele boeren b.v. moesten 
nog altijd, evenals de oude hofhoorigen, verscheidene dagen in 



n8 

het jaar arbeid verrichten, zonder daarvoor eenige belooning 
te ontvangen. Deze heerendiensten, zooals zij geheeten 
werden, hielden van nu af voor goed op, daar zij met de gelijk- 
heid van allen in strijd waren. Ook werd er een nieuwe rechts- 
pleging ingevoerd en de onmenschelijke pijnbank afgeschaft. 

Doch dit alles kwam de nieuwe Republiek verbazend duur 
te staan; Frankrijk erkende ons voortaan wel als een vrijen 
staat, maar het eischte daarvoor goede betaling. Wij moesten 
o. a. ioo millioen opbrengen voor de hulp aan ons verleend, 
Staats-Vlaanderen en Limburg afstaan en een leger van 25 000 
Fransche soldaten onderhouden. Deze laatste bepaling kwam 
ons niet minder duur uit: de Fransche Republiek zond hier- 
heen een leger, dat aan alles gebrek had, en door ons gekleed 
en gewapend moest worden. Was het eindelijk in een behoor- 
lijken staat gebracht, dan werd het door een ander vervangen, 
dat weer even armoedig als het vorige hier aankwam en ons 
opnieuw groote sommen kostte. 

Het bleek dus, dat de hooggeroemde vrijheid der Franschen 
niet zoo bijzonder voordeelig kon heeten; doch er kwam nog 
meer bij. Engeland verklaarde Frankrijk en ook ons den oorlog 
en maakte zich meester van bijna al de koloniën, die wij be- 
zaten. De beide Compagnieën waren wegens grooten achteruit- 
gang reeds ontbonden en hadden haar bezittingen en haar 
schulden aan de Bataafsche Republiek overgedaan : de West- 
indische in 1791 en de Oostindische, met ruim 150 millioen 
schuld, in 1798. Nu echter de Engelschen zich zoowel van 
onze koloniën als van onze schepen hadden meester gemaakt, 
stond de handel zoo goed als stil, waardoor velen broodeloos 
werden. — Behalve Engeland, wilde ook Rusland de Franschen 
bestrijden en daarom zonden beide volken in 1799 een leger 
op de Bataafsche Republiek af, dat in Noord-Holland landde. 
Daar de bevolking weinig met deze hulp ingenomen was, wer- 
den de Engelschen en Russen na eenige gevechten, o. a. bij 
Bergen en Castricum, weer door een Fransch leger verdreven. 



lig 

i. Welken naam kreeg ons land voortaan? 

2. Ga eens het verschil na tusschen de Bataafsche Republiek en de 
vorige. (Denk daarbij aan de deelen en aan de regeering.) 

3. Geef eens een voorbeeld, dat de grenzen der deelen geheel anders 
werden. 

4. Waarom zou men ook de namen der deelen veranderd hebben? 

5. Noem eens eenige nuttige gevolgen van de komst der Franschen op. 

6. Geef ook eens drie nadeelige gevolgen op. 

7. Waaruit ziet ge, dat de O.-I. C. zeer was achteruitgegaan? Zeg nog 
eens, wat daartoe niet weinig had bijgedragen. 

8. Hoe weet ge, dat de bevolking nog veel met den nieuwen stand van 
zaken ophad? 



47. Het koninkrijk Holland (1806 1810). 

Intusschen had er in Frankrijk een groote verandering plaats 
gehad. Een zeer bekwaam veldheer, Napoleon Bonaparte, wist 
zich eerst tot hoofd der Republiek en later, in 1804, tot Keizer 
der Franschen te verheffen. Hiermede was echter aan zijn 
heerschzucht niet voldaan: hij hoopte eenmaal geheel Europa 
onder zijn macht te brengen. Zoo besloot hij o. a. ook de 
Bataafsche Republiek tot een deel van Frankrijk te maken; 
dit zou hem weinig moeite kosten, daar zij toch reeds onder 
Frankrijks invloed stond. Om echter niet terstond met een 
daad van geweld te beginnen, wilde hij de Republiek lang- 
zamerhand aan een éénhoofdig bestuur gewennen. Daartoe 
stelde hij een Nederlander van hooge geboorte, graaf Rutger 
Jan Schimmelpenninck, als Raadpensionaris der Bataaf- 
sche Republiek aan en bekleedde hem met bijna koninklijke 
macht (1805). Schimmelpenninck deed al het mogelijke, om 
de Republiek weer eenigszins tot bloei te brengen: hij ver- 
beterde de geldmiddelen en zorgde ook voor goed onderwijs. 
Toch deed hij, naar de meening van den Franschen Keizer, 
nog niet genoeg: niettegenstaande elk belastingschuldige reeds 
het vierde deel van zijn inkomen aan de schatkist moest afstaan, 
wilde Napoleon van ons nog meer geld hebben. De Keizer 
toonde zich spoedig niet tevreden met Schimmelpennincks 
bestuur. Reeds in het volgende jaar, 1806, verklaarde Napo- 



120 

leon, dat de Raadpensionaris te zwak van gezicht werd, om 
nog langer zijn betrekking te kunnen waarnemen. Schimmel- 
penninck nam zijn ontslag, en een gezantschap uit het Bataaf- 
sche volk moest, volgens Napoleons wil, den Keizer nederig 
verzoeken, een zijner familieleden tot Koning over ons land aan 
te stellen. Napoleon zond ons zijn broeder Lodewijk en ver- 
anderde de Bataaf sche Republiek in het K o n i n k r ij k Hol- 
1 and. 

De bevolking ontving den nieuwen vorst zeer koel; niet ten 
onrechte zag zij in hem het werktuig van Napoleons heersch- 
zucht : meer dan vroeger zou ons land thans afhankelijk van 
den Franschen Keizer worden. Toch wist de Koning zich weldra 
eenigermate bemind te maken; hij toonde een menschlievend 
vorst te zijn, die het wèl met zijn onderdanen meende. Dit 
kwam o. a. vooral aan het licht, toen in 1807 de stad Leiden 
door een kruitschip gedeeltelijk verwoest werd, en in de vol- 
gende jaren Zeeland en Gelderland veel van overstroomingen 
te lijden hadden. Naar aanleiding van deze rampen besloot de 
Koning, aan het dijkwezen bijzondere zorg te besteden, zoodat 
verschillende dijken verhoogd en nieuwe sluizen gebouwd wer- 
den. Ook liet hij een kanaal van Katwijk naar de zee graven, 
ten einde den Rijn, die in de duinen smoorde, een betere 
afwatering te geven. De Koning was zeer prachtlievend en 
veranderde telkens van residentie, waardoor groote kosten 
werden veroorzaakt. Dat deze vermeden moesten worden, was 
hoog noodig: bij zijn komst bedroegen de uitgaven 78 millioen 
gulden en de inkomsten slechts 35 millioen, en dit verbeterde 
in de volgende jaren niet. Die ongunstige toestand der geld- 
zaken was hoofdzakelijk te wijten aan de kostbare oorlogen, 
welke Napoleon voerde en waarvoor ook wij zware belastingen 
moesten opbrengen. 

De grootste vijand van den Keizer was Engeland; reeds had 
hij vele staten in Europa overwonnen, of ten minste van zich 
afhankelijk gemaakt, maar Brittanje kon hij door gebrek aan 
een goede vloot niet vermeesteren. Daarom wilde Napoleon 



121 

dit rijk op een andere wijze tot onderwerping dwingen : hij 
vaardigde het bevel uit, dat niemand met Engeland handel 
mocht drijven ; immers hierdoor zou dit rijk wel zóó getroffen 
worden, dat het zich niet meer tegen Napoleons wil durfde 
verzetten. Dit verbod was een zware slag 1 voor onze kooplieden, 
die toch al geen groote winsten meer hadden. Gelukkig liet 
koning Lodewijk den handel oogluikend toe; doch toen dit 
bekend werd, haalde hij zich den toorn des Keizers op den 
hals. Lodewijk voorzag, wat er gebeuren zou, en deed daarom 
den i Juli 1810 vrijwillig afstand van den troon ten behoeve 
van zijn oudsten zoon. Maar de Keizer stoorde er zich niet 
aan : hij had nu de schoonste gelegenheid, volkomen meester 
van ons land te worden. Reeds den 9 Juli werd Holland, dat 
hij een aanslibsel der Fransche rivieren noemde, bij het groote 
Keizerrijk ingelijfd en daarmee verloor het zijn zelfstandigheid 
geheel. 

1. Welke gebeurtenis had in Frankrijk plaats, die ook ditmaal van groot 
gevolg voor ons land was? 

2. Met welk doel stelde Napoleon een raadpensionaris aan? 

3. Hoe blijkt dit uit de macht, die Schimmelpenninck verkreeg? 

4. Waaruit ziet ge, dat de belastingen zeer drukkend waren? 

5. Hoe legde Napoleon het aan, om ons land tot een koninkrijk te ver- 
heffen? 

6. Waaruit blijkt, dat Lodewijk Napoleon het wèl met ons meende? 

7. Verklaar eens, waarom de Keizer allen handel met Engeland verbood. 

8. Hoe zocht onze Koning dit verbod te verzachten? 

9. Welk gevolg had dit? 

10. Hoe meende de Keizer recht op ons land te hebben? Welke rivieren 
bedoelde hij? 



48. Onder Frankrijk (1810 1813). 

Had ons land reeds droeve tijden doorleefd, thans zouden 
de donkerste dagen aanbreken. Om te doen zien, dat het een 
provincie van het Fransche keizerrijk was geworden, kregen de 
deelen van ons land Fransche namen en hun bestuurders een 
Franschen titel. Ook moest de Nederlandsche taal langzaam 
verdwijnen : op de scholen werd Fransch geleerd en de dag- 



122 



bladen moesten een Fransche vertaling van hun inhoud geven. 
Verder gold voortaan de Fransche wetgeving ook voor ons 
land, die ons al spoedig groote nadeelen berokkende. Wij 
zullen de voornaamste opnoemen. De schuld van het keizerrijk 
was door leening op leening zóó toegenomen, dat de rente 
niet eens meer betaald kon worden; daarom nam Napoleon het 
besluit, voortaan slechts een derde deel van de verschuldigde 
rente uit te betalen. Dit was een gevoelig verlies voor vele 
welgestelde burgers, die daardoor eensklaps zoo goed als 
broodeloos werden. In 1811 volgde de conscriptie of gedwongen 




Kleederdrachten uit 1800. 1810 en 1820. 



loting voor den krijgsdienst. De Keizer nl. had in zijn talrijke 
oorlogen zoovele soldaten noodig, dat hij ze ten laatste niet 
meer op de gewone wijze kon huren; daarom stelde Napoleon 
de loting in: d. w. z. het lot zou voortaan aanwijzen, welke 
twintigjarige jongelingen gedurende vijf jaar in het leger of 



123 

op de vloot moesten dienen. Dit besluit heette de conscriptie, 
die koning Lodewijk reeds geweigerd had in te voeren. Verder 
verviel nu ook alle sluikhandel met Engeland : elke visschers- 
pink kreeg een Fransch ambtenaar mede, om aan het verbod 
krachtig de hand te houden. Hierdoor konden er geen koloniale 
waren meer aangevoerd worden, zoodat de weinige voorraad 
ontzettend duur werd en de arme lieden zich met allerlei 
vreemde stoffen moesten behelpen. Bovendien nam de belasting 
zóó toe, dat velen onvermogend waren, hun aandeel op te 
brengen. De armoede werd zoodoende op tal van plaatsen 
zeer nijpend: een groot gedeelte der burgers moest van de 
algemeene liefdadigheid leven; honderden huizen werden voor 
afbraak verkocht, prachtige buitenplaatsen voor een kleinigheid 
overgedaan, paarden en rijtuigen afgeschaft en dienstboden 
ontslagen. Zoo duur kwam ons de vrijheid en de vriendschap 
der Fransche verlossers te staan! En wie het durfde wagen, 
ook maar een enkel ongunstig woord over den harden druk 
te uiten, maakte kennis met de gevangenis. Zelfs slopen overal 
geheime agenten rond, om elk verdacht woord op te vangen; 
ja, niet zelden drong de politie de huizen binnen en opende de 
brieven, om te weten te komen, hoe deze of gene over den 
Keizer dacht. Ook mocht geen enkel boek of dagblad worden 
uitgegeven, voordat het door de regeering nagezien en goed- 
gekeurd was. 

Toch had deze overheersching ook haar lichtzijde : zij 
gewende ons land aan een krachtig bestuur en deed door het 
algemeen verlangen naar vrijheid de partijen van vroeger 
verdwijnen. Men kon dus verwachten, dat allen als één man 
zouden opstaan, indien de gelegenheid, om van het dwangjuk 
bevrijd te worden, zich vroeg of laat mocht aanbieden. 



i. Waaruit blijkt duidelijk, dat wij na de inlijving geen eigen volk 
meer waren? 

2. Waarom zou Napoleon getracht hebben, onze taal te doen verdwijnen? 

3. Welke twee harde maatregelen nam hij? 

4. Hoe kwam vroeger een vorst of een staat aan soldaten? 



124 

5- Waardoor werd de sluikhandel met Engeland onmogelijk? 

6. Vele arme lieden dronken in die dagen eikelkoffie; weet ge wel waarom? 

7. In dien tijd begon men hier suikerbeetwortels te verbouwen: zoudt 
gij kunnen verklaren, waarom men dat deed? 

8. Waaruit blijkt de toenemende armoede ? 

9. Hoe komt het, dat men toch geen klachten over den harden druk hoorde? 
10. Welk nut had de Fransche overheersching? 



49. Verlossing (1813). 

Napoleon stond thans op het toppunt zijner macht; bijna al 
de staten van Europa had hij onder zijn rechtstreeksch of 
middellijk bestuur gebracht ; alleen Rusland en Engeland bleven 
hem nog steeds trotseeren. Om het eerste rijk voor goed te 
onderwerpen, verzamelde de Keizer een leger van een half 
millioen manschappen, het grootste, dat hij ooit had bijeenge- 
bracht. Napoleon drong zegevierend Rusland binnen en hoopte 
in de hoofdstad Moskou den Tsaar de wet voor te schrijven. 
Doch de Russen hadden de stad verlaten en in brand gestoken, 
om den Franschen Keizer de gelegenheid tot overwintering te 
benemen. Dit was een gevoelige slag voor de Franschen, en 
toen velen door honger en koude omkwamen, kon Napoleon 
niet langer blijven en moest hij den terugtocht aanvaarden. De 
Russen achtervolgden hem en doodden duizenden zijner man- 
schappen. Toch gaf Napoleon na al deze verliezen den moed 
niet op. Hij snelde de rest van zijn leger vooruit, verzamelde 
nieuwe troepen en trok andermaal naar het Oosten. Hier 
hadden intusschen de Russen zich met de "Pruisen verbonden 
en wachtten vereenigd den Franschen Keizer op. Doch Napo- 
leon overwon hen in twee slagen en zou waarschijnlijk op- 
nieuw Rusland zijn binnengedrongen, indien de Zweden en 
Oostenrijkers zich ook niet bij Pruisen en Rusland hadden 
aangesloten. De vier Bondgenooten leverden Napoleon een 
driedaagschen veldslag bij Leipzig en versloegen hem totaal 
(18 13). Zij trokken daarop Frankrijk binnen en noodzaakten 
den Keizer, afstand te doen van den troon. Hij werd naai' 



r2 5 

het eiland Elba verbannen met behoud van den keizerlijken 
titel; tevens werd hem een ruim jaargeld toegekend. 

De tijding van Napoleons nederlaag bij Leipzig was in ons 
land met groote vreugde vernomen. In Den Haag hadden zich 
terstond eenige voorname heeren, o. a. Van Hogendorp, Van 
Limburg Stirum en Van der Duin van Maasdam vereenigd, die 
in s'tilte aan het groote werk der bevrijding waren begonnen, 
te werken. Toen nu de Fransche legers weldra werden op- 
geroepen, om de grenzen van hun eigen land te verdedigen, 
kwam de bevolking spoedig in opstand en in korten tijd ver- 
toonde zich allerwegen de thans zoo dierbaar geworden oranje- 
kleur. De genoemde heeren verzochten den zoon van Willem V 
uit Engeland over te komen, ten einde het bestuur over ons 
land te aanvaarden. Ofschoon de Franschen nog verscheidene 
vestingen in bezit hadden, aarzelde de Prins geen oogenblik 
aan het gedane verzoek gehoor te geven, en reeds den 30 Nov. 
1813 stapte hij onder daverende toejuiching des volks te Scheve- 
ningen aan wal. Ondertusschen waren de Pruisen en Kozakken 
kort te voren in ons land verschenen en verdreven in weinig 
tijds bijna overal de Franschen; toen de laatste vesting, Delfzijl; 
veroverd werd, was het geheele land weer vrij (23 Mei 1814). 

Nu kwamen de vorsten en afgezanten van bijna alle Euro- 
peesche landen te Weenen bijeen, om over de grenzen der 
vrij geworden staten te onderhandelen. Hier werd o. a. bepaald, 
dat België voortaan met Nederland zou verbonden worden en 
de Prins als koning Willem I over de vereenigde staten 
regeeren zou. Daardoor meende men een rijk te verkrijgen, 
dat sterk genoeg was om den eersten aanval van Frankrijk 
te weerstaan. Engeland gaf ons tevens de veroverde koloniën 
terug behalve Ceylon, het Kaapland en het tegenwoordige 
Engelsch-Guyana, waarvoor het ons 36 millioen gulden schade- 
vergoeding gaf. 

Voor het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden werd 
een grondwet aangenomen, waarin de rechten en plichten van 
vorst en volk omschreven waren. 



I2Ó 

i. Waaruit blijkt, dat Napoleon de verovering van Rusland niet gemak- 
kelijk achtte? 

2. Welke twee omstandigheden noodzaakten hem, terug te keeren? 

3. Men noemt den slag bij Leipzig den volkerenslag. Kunt gij dat 
verklaren? 

4. Wat geschiedde er na dien slag in ons land? 

5. Waarom was de landing van den Prins een gewaagde onderneming? 

6. In hoeveel tijd was het land geheel vrij? 

7. Met welk doel werd België bij ons land gevoegd? 

8. Een zeker land had daar schade bij en verkreeg dan ook een ver- 
goeding. Kunt gij ook zeggen, welk rijk dat was? 

9. Hoe heette voortaan ons land? 



50. Koning Willem I (1814-1840). 

Nog waren de vorsten te Weenen vergaderd, toen zich eens- 
klaps de mare verspreidde, dat Napoleon het eiland Elba had 
weten te ontvluchten en weer in Frankrijk was geland. Zijn 
tocht naar Parijs geleek een ware triumftocht: soldaten, land- 
lieden, stedelingen, — allen riepen met geestdrift hun ouden 
Keizer weer het welkom toe. Napoleon bood nu den Mogend- 
heden aan, zich alleen met Frankrijk te willen vergenoegen, 
doch zij vertrouwden hem niet en brachten daarom haar legers 
in het veld. De Engelschen onder Wellington, de Pruisen 
onder Blücher en de Nederlanders onder den Kroonprins ver- 
eenigden zich in België. De Keizer trok hen te gemoet, over- 
schreed den i5en Juni 181 5 de Belgische grenzen en behaalde 
den volgenden dag een overwinning op de Pruisen. Doch den 
r8den werd hij bij Waterloo volkomen geslagen. Vier dagen 
later was hij reeds in de macht der Engelschen, die hem 
naar St.-Helena brachten, waar hij in 1821 gestorven is. 

Willem I vond het land in ongunstigen toestand; door de 
Fransche overheersching was de bevolking verarmd en de 
handel verloopen; ook hadden verschillende dijkbreuken groote 
verwoestingen veroorzaakt. Om onze scheepvaart te doen her- 
leven, richtte hij de Nederlandsche Handelmaatschappij op, 
die het recht verkreeg, voor het Rijk de waren uit Oost-Indië 



127 

te mogen halen. Zij leverde weldra groote voordeden op. Ook 
liet de Koning verschillende kanalen graven, ten einde den 
binnenlandschen handel te bevorderen. Zoo ontstonden o. a. 
het Groot-Noordhollandsch kanaal, de Zuidwillemsvaart, het 
Zederikkanaal en het kanaal van Voorne. Bovendien verrezen 
er door 's Konings bemiddeling in Twente groote fabrieken, 
welke thans aan duizenden brood verschaffen, evenals ver- 
scheidene fabriekssteden in België aan hem haar bloei te 
danken hebben. 

Op den duur bleken de Belgen niet tevreden te zijn met het 
bestuur van Willem I. Door taal en godsdienst verschilden 
beide volken te veel, om zich één te kunnen gevoelen. Zoo 
werd bijv. zelfs in de Vlaamsche gewesten veel Fransch ge- 
sproken. Om de gewenschte vereeniging te bevorderen, achtte 
de Koning het noodzakelijk, de Nederlandsche taal in die 
gewesten verplicht te stellen. Dit maakte de Belgen ontevreden 
en deed hen beweren, dat de Koning de Noord-Nederlanders 
voortrok. Ook klaagden zij er over, dat in het leger bijna 
geen Belgische officieren dienden. Bovendien maakte de 
Koning zich bij de geestelijkheid gehaat, doordat hij het onder- 
wijs aan en van priesters zeer bemoeilijkte. Verder waren velen 
ontevreden over de grondwet, welke naar hun inzien den 
Koning te veel macht verleende. Door dit alles ontstond er 
een ontevreden stemming onder de Belgen, die den Koning 
eindelijk deed besluiten toe te geven. Doch toen was het reeds 
te laat. In Parijs had men in het laatst van Juli 1830 den 
koning verdreven, daar hij niet naar den wensch van het volk 
regeerde. Dit bracht te Brussel de gemoederen zóó in beweging, 
dat men den 2 5 en Augustus ook daar tot opstand oversloeg. 
De Koning was eerst voornemens, Brussel te bezetten, maar 
hij zag er van af, om zooveel mogelijk burgerbloed te sparen. 
Toen de opstand zich ook over andere plaatsen verspreidde, 
werd in de hoofdstad door eenige heeren een voorloopig be 
stuur gevormd, dat zich het nationaal congres noemde. 

In deze omstandigheden wendde de Koning zich tot de groote 



128 



Mogendheden, die hem België hadden geschonken, ten einde 
van haar hulp te ontvangen. Zij verklaarden echter, dat België 
voortaan onder bestuur van onzen Koning zijn eigen grondwet 
zou hebben en dus van ons gescheiden zou zijn, mits het de 
helft onzer Staatsschuld overnam. De Koning was hiermede 
tevreden, doch het nationaal congres niet: het verklaarde het 




Trekschuit. 



Huis van Oranje vervallen van den troon en verkoos Leopold 
van Saksen-Coburg tot koning. Thans besloot Willem I, zijn 
recht met geweld van wapenen te doen erkennen en riep 
daartoe zijn Noord-Nederlanders ten strijde op. Duizenden 
gaven vol geestdrift daaraan gehoor, en weldra trok een leger 
van 36000 man onder aanvoering van den Kroonprins België 



129 

binnen. In den T i en daags chen Veldtocht (2 — 12 Aug. 
1831) werd het Belgische leger na de slagen bij Hasselt en 
Leuven uiteengedreven, en zeker zou het land onderworpen 
zijn, indien Leopold de Franschen niet te hulp geroepen had. 
Daar de Koning een oorlog met Frankrijk wilde vermijden, 
moesten onze troepen terugtrekken. Toch weken zij niet laf- 
hartig; de moedige baron Chassé b.v. gaf de citadel van Ant- 
werpen eerst over, toen zij geheel tot puin geschoten was. 

Een jaar te voren had in deze stad de bekende Van Speyk 
zich eveneens door zijn dapperheid onderscheiden. 

Leopold werd nu door de mogendheden als koning erkend, 
hoewel Willem I zich nog steeds bleef verzetten; eerst in 1839 
gaf hij, gedwongen door de omstandigheden, toe en verklaarde 
hij België voor onafhankelijk. 

Inmiddels hadden de Noord-Nederlanders na de tusschen- 
komst der Franschen weinig belang meer in den opstand ge- 
toond, ja zij werden ten laatste ontevreden over het halsstarrig 
volhouden van den Koning, daar de staat van oorlog ons 
op zware offers kwam te staan. Hierdoor kreeg Willem I een 
tegenzin in de regeering en in het volgende jaar, 1840, deed 
hij op Het Loo onverwachts afstand van den troon. Drie jaar 
later stierf hij te Berlijn. 

1. Welk gevaar bedreigde al spoedig onze pas verworven onafhanke- 
lijkheid? 

2. Hoe werd dit afgewend? 

3. Wat deed de Koning voor de scheepvaart, wat voor den handel en 
wat voor de nijverheid? 

4. Noem eens eenige oorzaken op van de ontevredenheid der Belgen. 

5. Wat gaf aanleiding tot den opstand? 

6. Waaruit ziet ge, dat de Koning eerst met zachtheid te werk wilde gaan? 

7. Wat gaf aanleiding tot den Tiendaagschen Veldtocht? 

8. Waardoor konden wij België niet onderwerpen? 

9. Welke redenen bewogen den koning tot den afstand? 

10. Wie zoudt gij onze helden uit den Belgischen opstand noemen? 

11. België is nog al dikwijls van vorst en naam veranderd. Toon dat 
eens aan. 



pluim, Vaderlandsche Geschiedenis, 6de druk. 



130 
51. De laatste 60 jaren. 

Willem I werd opgevolgd door zijn zoon Willem II, die 
zich in den oorlog tegen Napoleon en in den Belgischen opstand 
als een bekwaam veldheer had onderscheiden. Gelukkig be- 
hoefde hij voortaan in dit opzicht zijn talenten niet meer te 
toonen, want na de Belgische onlusten heeft ons land geen 
oorlog in Europa meer gevoerd. De Koning genoot reeds bij 
zijn troonsbeklimming de liefde zijns volks, die hij door zijn 
weldadig bestuur behouden heeft. Groot was de staatsschuld, 
toen hij de regeering aanvaardde, waartoe de kostbare oorlog 
tegen België niet weinig had bijgedragen; zij bedroeg zelfs 
2200 millioen. De Koning stelde het zich ten plicht, hierin ver- 
betering te brengen; door de vroegere leeningen met hoogen 
intrest te vervangen door nieuwe tegen lagere rente, verkreeg 
hij reeds een aanzienlijke vermindering der jaarlijksche uit- 
gaven. Ook begon Oost-Indië belangrijke baten op te leveren, 
zoodat er in den staat der geldmiddelen weldra een gunstige 
verandering kwam. 

Toch waren er velen in den lande, die meenden, dat de 
grondwet de koninklijke macht nog veel te onbeperkt had 
gelaten, al maakte Willem II er volstrekt geen misbruik van. 
Toen in het jaar 1848 in bijna alle landen van Europa het volk 
tot opstand oversloeg, om meer invloed op de regeering te 
hebben, en daarbij vaak bloedige tooneelen voorvielen, werd 
men ook in ons land bevreesd voor dergelijke onlusten. Doch 
de Koning voorkwam die: hij gaf uit eigen beweging een 
nieuwe grondwet, waarin hij het volk meer aandeel in de 
regeering toestond. 

Willem II overleefde de aanneming van de nieuwe grondwet 
niet lang: den 17 Maart 1849 overleed hij in zijn geliefd Tilburg, 
door zijn volk oprecht betreurd. Zijn zoon en opvolger was 
Willem III, onder wiens bestuur ons land in bloei en wel- 
vaart voortdurend is toegenomen. De Oost leverde vooral in 
de eerste jaren zijner regeering aanzienlijke voordeden op, waar- 



i3i 

door in ons land groote werken tot stand konden komen. De 
eerste spoorweg (1839), tusschen Amsterdam en Haar- 
lem, werd spoedig door meerdere gevolgd, zoodat thans een 
uitgebreid net van spoor- en tramlijnen het verkeer gemak- 
kelijk maakt en den handel niet weinig bevordert. Door de 
uitvinding van den stoom is de trekschuit verdwe- 




Spoortrein uit het begin der 19e eeuw. 

nen en de diligence bijna verdrongen. Afstanden, waarover 
men vroeger dagen noodig had, worden nu in enkele uren 
afgelegd. — Amsterdam en Rotterdam, wier levendige handel 
door de verzanding der 'kanalen dreigde te verloopen, ver- 
kregen kortere, doelmatiger waterwegen naar zee, evenals 
Vlissingen een uitstekende haven. Tal van meren en ' plassen 
werden door droogmaking in vruchtbaar land herschapen, 
zooals o. a. het belangrijke, maar gevaarlijke Haarlemmermeer, 
dat bij verkoop 8 millioen gulden opbracht (1852). Ook van 
de uitgestrekte woeste heidegronden werden voortdurend aan- 

9" 



132 




Diligence. 



zienlijke stukken ontgonnen; in den laatsten tijd is hiervoor 
zelfs een Heidemaatschappij opgericht. Behalve landbouw en 
veeteelt heeft ook de nijverheid groote vorderingen gemaakt, 
zoodat men tegenwoordig in ons land tal van fabrieken aan- 
treft, die met de beste der buitenlandsche kunnen wedijveren. 

Verder kwamen ver- 
schillende nuttige wet- 
ten onder het bestuur 
van Willem III tot 
stand ; zoo verkreeg 
daardoor ons land een 
telegraafnet, dat met 
ongeloofelijke snelheid, 
waarvan men vroeger 
niet het minste ver- 
moeden had, berichten 
verspreidt ; zoo werd 
de slavernij in Oost- en West-Indië verboden, het postwezen 
en het onderwijs verbeterd en de doodstraf afgeschaft. Boven- 
dien werd in 1887 de grondwet herzien, waardoor de troons- 
opvolging duidelijker omschreven en het kiesrecht uitgebreid 
werd. Wel leveren onze Oostindische koloniën, vooral door 
den kostbaren oorlog, dien wij sedert 1873 tegen Atjeh voeren 
en die reeds meer dan 400 mill. guld. gekost heeft, niet meer 
zulke baten voor de schatkist als vroeger op, maar toch vinden 
duizenden Nederlanders nog steeds in de Oost een ruim be- 
staan, terwijl tal van fabrikanten er een belangrijken afzet 
van hun artikelen hebben. 

Ons geliefd Vorstenhuis bleef helaas ! niet van donkere dagen 
verschoond; de Koning zag achtereenvolgens zijn broeder 
Prins Hendrik en zijn zonen ten grave dalen (zie lijstje op 
blz. 138). Des te dierbaarder werd ons Prinses Wilhelmina, 
die in 1880 geboren was uit het huwelijk, dat Z. M. met Prinses 
Emma van Waldeck-Pyrmont een jaar te voren had gesloten. 
De jeugdige Vorstin volgde bij den dood haars vaders, 23 Nov. 



133 

1890, hem op, onder regentschap van haar Moeder, die door 
haar voorkomendheid en weldadigheidszin zich spoedig een 
plaats in de harten harer onderdanen veroverde. 

In 1894 ontstond een korte, maar hevige oorlog op Lombok. 
De bewoners van dit eiland bestaan hoofdzakelijk uit de 
Sassaks, die door een Balineesch vorst waren onderworpen. In 
den laatsten tijd r werden zij zóó door hem verdrukt, dat zij 
onze tusschenkomst inriepen. Onze uitgezonden troepen onder 
de generaals Vetter en Van Ham werden aanvankelijk door 
den Radja (vorst) voorkomend ontvangen. Maar in Aug. 1894 
vielen de Balineezen hen verraderlijk aan en maakten het 
grootste deel af. Na nieuwe troepen ontvangen te hebben, 
werden door generaal Vetter de versterkingen des vijands 
veroverd en tot den grond geslecht, terwijl de Radja onzen 
dapperen in handen viel. Nog vóór het einde van 1894 was 
het eiland onderworpen en onze eer schitterend hersteld. 

In 1898 aanvaardde de 1 8-jarige Koningin zelve de regeéring 
en werd zij plechtig 'in de Nieuwe Kerk te Amsterdam inge- 
huldigd. In 1901 trad zij in het huwelijk met hertog Hendrik 
van Mecklenburg-Schwerin, die den 19 April 1876 geboren is 
en den titel verkreeg van Z. K. H. den Prins der Nederlanden. 
Moge het Koninklijke Echtpaar nog lang voor ons volk ge- 
spaard blijven ! 

1. Bij welke gelegenheden had Willem II zich als veldheer onderscheiden? 

2. Hoe trachtte hij de financiën te verbeteren? 

3. Waardoor bleef ons land in 1848 voor een omwenteling gespaard? 

4. Hoe lang heeft Willem I, hoe lang Willem II geregeerd? 

5. Op welke wijze werd onder het bestuur van Willem III de handel 
bevorderd ? 

6. Welk belangrijk stuk land werd onder zijn bestuur aangewonnen? 

7. Welke wetten kwamen onder Willem III tot stand? 

8. Waarom werd in 1887 de grondwet herzien? 

9. Waarom was het goed, dat de troonsopvolging duidelijker omschreven 
werd ? (Denk aan de jaren 1702 en 1741.) 

10. Waardoor is de Oost zoo belangrijk voor ons. ook al is zij voor de 
schatkist niet zoo voordeelig meer? 

11. Wanneer werd koningin Wilhelmina ingehuldigd? 

12. Met wien trad zij in het huwelijk? 



134 
52. Onze Regeering. 

Wij hebben gezien, dat vóór de komst der Franschen het volk 
geen aandeel in de regeering had. Na dien tijd is dit anders 
geworden, zoodat thans vorstin en volk gezamenlijk het land 
besturen. De rechten en plichten van beiden zijn omschreven 
in de grondwet, de voornaamste wet van het Rijk. Hierdoor 
toch heeft het volk de zekerheid verkregen, dat het niet meer 
aan willekeur behoeft bloot te staan, zooals in vroegere dagen 
vaak geschiedde. Wij hebben dus bij de regeering zoowel van 
den staat, als bij die van de provincie en de gemeente twee 
deelen te onderscheiden : de koningin, welke regeert, d. w. z. 
de wetten uitvoert, en het volk, dat met de vorstin de wetten 
maakt en toezicht houdt, of de besluiten naar behooren worden 
uitgevoerd. 

Daar het volk te talrijk is, om met de Koningin over regee- 
ringszaken te spreken, kiest het eenige personen, die het ver- 
tegenwoordigen. Die vertegenwoordigers heeten bij de regeering 
over den staat State n-G e n e r a a 1, voor de provincie Pro- 
vinciale Staten en voor de gemeente Gemeenteraad. 
De grondwet bepaalt, welke personen kunnen verkozen worden 
en welke ingezetenen het recht hebben deze vertegenwoordigers 
te kiezen. Het aantal kiezers is bij de grondwet van 1887 
belangrijk uitgebreid; het werd van omstreeks 100 000 op bijna 
400000 gebracht. De nieuwe kieswet van 1896 verdubbelde 
dit getal nog. 

De Koningin staat aan het hoofd van den staat; zij verklaart 
oorlog en sluit vrede; zij heeft het opperbevel over leger en 
vloot, het oppertoezicht over de koloniën, de geldmiddelen, de 
rechtspleging, enz. Voor dezen uitgebreiden werkkring kiest zij 
zich eenige personen, die haar helpen regeeren en ministers 
genoemd worden. Men heeft i°. den minister van Binnenland- 
sche Zaken, 2 . van Justitie, 3 . van Buitenlandsche Zaken, 
4°. van Marine, 5 . van Financiën, 6°. van Oorlog, 7°. van 



i35 

Waterstaat, 8°. van Landbouw, Nijverheid en Handel, en 9 . 
van Koloniën. 

De S t at en-G ener aal worden verdeeld in de Eerste 
en de Tweede Kamer. De laatste telt 100 leden, die door 
de kiezers uit Nederlanders van minstens 30 jaar oud gekozen 
worden. Zij heeft het recht de wetten, welke de Koningin wil 
invoeren, te verwerpen, of er wijzigingen in te maken; ook 
mag zij zelve wetten voorstellen. Van de Tweede Kamer gaat 
elke aangenomen wet naar de Eerste Kamer, welke haar 
goedkeurt of verwerpt, maar niet mag veranderen. Is een wet 
op die wijze door de beide Kamers aangenomen, dan wordt zij 
de Koningin voorgelegd, die haar óf goedkeurt óf verwerpt. 

De Eerste Kamer bestaat uit 50 leden, welke door de 
Provinciale Staten gekozen worden en wel uit hen, die in de 
provincie de meeste belasting betalen, of gewichtige ambten 
in den Staat bekleeden of bekleed hebben. 

In de Provincie wordt de Koningin vertegenwoordigd 
door den Commissaris, en het volk door de Provinciale 
Staten; de eerste wordt dus door de Koningin benoemd, 
terwijl de laatsten door de kiezers worden gekozen. De Pro- 
vinciale Staten vergaderen meestal slechts tweemaal 's jaars 
en om nu de regeering niet stil te doen staan, kiezen zij uit 
hun midden eenige heeren, Gedeputeerde Staten ge- 
noemd, die wekelijks één- of meermalen bijeen komen en de 
wetten uitvoeren. De Commissaris der Koningin is voorzitter 
zoowel van de Provinciale als van de Gedeputeerde Staten. 

In de Gemeente laat de Koningin zich vertegenwoordigen 
door den Burgemeester en het volk door den Gemeente- 
raad: het is dus duidelijk, door wie zij gekozen worden. De 
leden van den Raad benoemen uit hun midden de Wet hou 
d e r s, die met den Burgemeester het dagelijksch bestuur 
waarnemen, zoodat de Raad slechts nu en dan behoeft samen 
te komen. Belangrijke besluiten van den Gemeenteraad moeten, 
vóór zij tot uitvoering kunnen komen, eerst door de Gedepu- 
teerde Staten worden goedgekeurd. 



136 

i. Waardoor is de grondwet zoo belangrijk voor het volk? 

2. Welke regeeringslichamen worden door het volk gekozen'? 

3. Welke regeeringspersonen kiest de Koningin? 

4. Toon eens aan, dat de Tweede Kamer meer macht heeft dan de Eerste. 

5. Hoe komt een wet tot stand? 

6. Waartoe dienen de Gedeputeerde Staten? 

7. Vergelijk eens het bestuur eener provincie met dat van een gemeente. 

8. Hoe hebben de Provinciale Staten ook invloed op het bestuur van 
den Staat? 

9. Op welke wijze houden de Gedeputeerde Staten toezicht op het bestuur 
der gemeente ? 

10. Hoe heet de Commissaris uwer Provincie? 

11. Hoeveel leden telt de Raad van uw gemeente? 



i37 

STAMHUIZEK VAN HOLLAND. 

i. Het Hollandsche Huis 922 — 1299. 

2. Het Henegouwsche „ 1299— 1354. 

3. Het Beiersche -_ „ 1354- 1433. 

4. Het Bourgondische „ 1433— 1482. 

5. Het Oostenrijksche „ 1482— 1581. 

I IOLLANDSCHE STADHOUDERS. 

WILLEM I (1559- I584). 
MAURITS (1585— 1625). 
FREDERIK HENDRIK (1625— 1647). 
WILLEM II (1647 — 1650). 

Eerste Stadhouder looze regeer ing (1650— 1672). 
willem in (1672— 1702). 

Tweede Stadhouder looze regeering (1702— 1747). 
willem iv (1747- 1751). Algemeen erfstadhouder. 
willem v (1751 — 1795)- Onder voogdij tot 1766. 

FRIESCHE STADHOUDERS. 

willem lodewijk (1584— 1620). Zoon van Graaf Jan van Nassau. 

ERNST KASIMIR (lÓ20— 1632). 

HENDRIK KASIMIR I (1632 — 1640). 

WILLEM FREDERIK (1640— 1664). 

HENDRIK KASIMIR II (1664— 1696). 

JAN WILLEM FRISO (1696 — I7H). 

WILLEM KAREL HENDRIK FRISO (171 1 — 1751). Na I747 als 

willem iv algemeen erfstadhouder. 



i 3 8 

VOORNAAMSTE VORSTEN UIT HET HUIS ORANJE-NASSAU. 

Willem, graaf van Nassau (Duitschland). 



Willem I. 
Maurits. Frederik Hendrik. 

Willem II. 

I 

Willem III 

(sterft kinderloos). 



Willem Frederik was gehuwd met 
Albertine Agnes, dochter van Frederik 
Hendrik. Daardoor stamt de Koningin 
in de vrouwelijke lijn van Willem van 
Oranje af. 



Jan van Nassau. 
Willem Lodewijk. Ernst Kasimir. 



Hendrik Kasimir I. 



Willem 
Frederik. 



Hendrik Kasimir II. 

I 
Jan Willem Friso. 

I 
Willem IV. 

I 
Willem V. 

i 
Willem 1. 

I 
Willem II. 

• l 
Willem III. 

I 
Wilhelmina. 



VOORNAAMSTE PERSONEN UIT ONS KONINGSHUIS. 
Willem I. 



Willem II. 



Frederik 
f 1881. 



Marianne 
t 1883. 



Willem III. Hendrik Sophie 

t 1879. (groothertogin 
van Saksen, t 1897). 



Willem Alexander Wilhelmina. 
f 1879. t 1884. 



TIJD TAF EL. 

EERSTE TIJDVAK. 

(Van omstreeks ioo j. v. C. tot ongeveer 900.) 

Ons land vóór de vorming van afzonderlijke staten. 

. . . . Het Steenen Tijdperk. 
100 j. v. C. Komst der Bataven. 

50 j. v. C. De Romeinen komen in ons land. 

69 j. n. C. Opstand der Bataven onder Claudius Civilis. 
400. Ons land bewoond door Friezen, Saksers en Franken. 
500. Clovis, de eerste christenkoning der Franken. 
700. Invoering van het christendom. 
768. Karel de Groote begint te regeeren. Ontstaan van het 

Leenstelsel. 
800 — 1000. Invallen der Noormannen. 
900. Erfelijkheid der leenen. 

TWEEDE TIJDVAK. (9OO— 1581.) 

Ons, land verdeeld in leenstaten. 

922. Dirk I wordt graaf over een deel van Holland. 
1018. Slag bij Dordrecht, door Dirk III gewonnen. 
1096 — 1291. De Kruistochten. Opkomst der steden. 
1256. Willem II sneuvelt tegen de West-Friezen. 
1296. Floris V door de edelen vermoord. 
1304. Inval der Vlamingen. Witte van Haamstede. 
1345. Willem IV 'sneuvelt bij Stavoren. 
1350. Begin der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. 
1354. Margareta erkent haar zoon Willem V als graaf. 
1428. Filips de Goede dwingt Jacoba van Beieren tot afstand. 
1465. Adolf van Gelder zet zijn vader Arnoud gevangen. 
1477. Karel de Stoute sneuvelt bij Nancy. 
1482. Maria van Bourgondië sterft. 
1492. Einde der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Opstand 

van het Kaas- en Broodvolk. 
151 5. Karel V aanvaardt de pegeering in de Nederlanden. 
1517. Begin der Kerkhervorming. 
1543. Karel V verkrijgt Gelderland en wordt daardoor heer 

van al de Nederlandsche gewesten. 



140 

1555- Afstand van Karel V. 
1566. Beeldenstorm. 
1567 — 1573. Alva in de Nederlanden. 

1568. Begin van den 80-jarigen oorlog. Slagen bij Heiligerlee 
en bij Jemmingen. 

1572. De Watergeuzen nemen Den Briel in. Algemeene op- 
stand. 

1573. Haarlem en Alkmaar belegerd. 

1574. Leiden ontzet. 

1576. Requesens sterft. Spaansche furie. Pacificatie van Gent. 

1 579. Unie van Utrecht. 

1581. Afzwering van Filips. 

1583. Anjou verlaat ons land. 

1584. Prins Willem I vermoord. 
1585 — 1587. Leicester in ons land. 

1585. Maurits wordt stadhouder van Holland en Zeeland. 
1588. Begin van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. 

DERDE TIJDVAK. (1588— I795.) 

De Republiek der Vereenigde Nederlanden. 

1588. De Onoverwinnelijke Vloot vernield. 

1 591 . Begin van Maurits' veldtochten. 

1596. Overwintering op Nova-Zembla. 

1600. Slag bij Nieuwpoort. 

1602. De Oostindische Compagnie opgericht. 

1609 — 1621. Twaalfjarig bestand. Binnenlandsche onlusten. 

1619. Onthoofding van Oldenbamevelt. J. P. Koen sticht 

Batavia. 

1625. Dood van Prins Maurits. 

1628. Piet Hein verovert de Spaansche Zilvervloot. 

1629. Frederik Hendrik neemt 's-Hertogenbosch. 
1632. Limburg door Frederik Hendrik veroverd. 
1639. Slag bij Duins. 

1647 Dood van Frederik Hendrik. 
1648. Vrede van Munster. 

1650. Binnenlandsche onlusten. Amsterdam belegerd. Wil- 
lem II sterft. Begin der eerste stadhouderlooze regeering. 
1652 — 1654. Eerste Engelsche 'oorlog. 

1653. Johan de Witt wordt raadpensionaris van Holland. 
1655 — 1660. Oorlog aan de Oostzee. 
1665 — 1667. Tweede Engelsche oorlog. 



I 4 I 

1666. De Ruyter wint den Vierdaagschen zeeslag. 

1667. Tocht naar Chattam. Vrede te Breda. 

1668. Drievoudig verbond tegen Lodewijk XIV. 

1672. Oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. 
Willem III wordt stadhouder. Johan en Cornelis de 
Witt vermoord. 

1674. Vrede met Engeland, Munster en Keulen. 

1676. De Ruyter sterft in de haven van Syracuse. 

1678. Vrede met Frankrijk, te Nijmegen gesloten. 

1689. Willem III wordt koning van Engeland. Oorlog met 
Frankrijk. 

1697. Vrede van Rijswijk. Peter de Groote in ons land. 

1702. Willem III sterft. Begin der 2e stadhouderlooze regee- 
ring. 

1702 — 17 13. Spaansche successie-oorlog. 

171 1. Jan Willem Friso verdrinkt bij den Moerdijk. 

17 13. Vrede van Utrecht. 

1741 — 1748. Oostenrijksche successie-oorlog. 

1747. De Franschen vallen in ons land. Willem IV" wordt 
algemeen erfstadhouder. 

1751. Dood van Willem IV. 

1766. Willem V aanvaardt de regeering. 

1780 — 1784. Oorlog met Engeland. Ontevredenheid der Patri- 
otten. 

1787. De Pruisen herstellen Willem V in zijn waardigheden. 

1795. Komst der Franschen. Willem V wijkt naar Engeland. 
Val der Republiek. 

VIERDE TIJDVAK. (1795— 1814.) 

Fransche Overheersching. 

1795 — 1806. Bataafsche Republiek. 

1805. Schimmelpenninck wordt raadpensionaris. 

1806 — 1810. Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. 

1810 — 1813. Ons land een deel van Frankrijk. 

1812. Napoleons veldtocht naar Rusland. 

1813. Slag bij Leipzig. De prins van Oranje komt in het land. 

18 14. De Franschen verlaten ons land'. Weener Congres. 

vijfde tijdvak. (1814 tot heden.) 
Nederland een Koninkrijk. 

18 15. Willem I wordt koning van Noord- en Zuid- Nederland. 
Slag bij Water loo. 



142 

1830 — 1839- Belgische opstand. 

1831. Tiendaagsche veldtocht. 

1840. Willem I doet afstand van den troon. 

1848. Nieuwe grondwet. 

1849. Willem II sterft. 

1873. Begin van den oorlog met Atjeh. 

1880. Koningin Wilhelmina geboren. 

1887. Grondwetsherziening. 

1890. Dood van Willem III. 

1894. Oorlog op Lombok. 

1896. Nieuwe kieswet. 

1898. Inhuldiging van koningin Wilhelmina. 

1901. Huwelijk der Koningin. 



TOEGIFT. 

1250. Opkomst der steden. 

1350. Het buskruit in ons land gebruikt. 

1386. Willem Beukelszoon vindt het haringkaken uit. 

1400. De pijnbank komt in gebruik. 

1430. De windmolens uitgevonden. 

1440. Laurens Coster, eerste boekdrukker in Haarlem. 

1551. Ontginning bij Heerenveen. 

1599. Begin van de Groninger Veenkoloniën. 

1600. De verrekijker te Middelburg uitgevonden. 

1627. Cornelis Drebbel te Alkmaar vindt den thermometer uit. 

Eerste courant in Amsterdam uitgegeven. 

1637. Gouda heeft pijpenf abrieken. 

1657. Christiaan Huygens vindt het slingeruurwerk uit. 

1670. Koffiehuizen in Amsterdam. 

1673. J an van der Heyden vindt de slangbrandspuit en de 

straatlantarens uit. 

1690. Eerste koffie op Java geplant. 

1695. De snuif tabak komt in gebruik. 

1744. Aardappelteelt in de Groninger Veenkoloniën. 

1798. Opheffing der gilden. 

1839. Eerste spoorweg in ons land. 

1852. De Haarlemmermeer is drooggemalen. 

1860. De slavernij in Oost-Indië afgeschaft. 



INHOUD. 



Black. 



i. De oudste bewoners van ons land. . . 

2. De Germanen 

3. De Romeinen (Claudius Civilis) . . . 

4. Friezen, Saksers en Franken .... 

5. De invoering van het Christendom . . 

6. Karel de Groote (Kar el de Grooté) . . 

7. Het leenstelsel 

8. De Noormannen. (Godfried de Noorman) 

9. Verschillende zaken 

10. De eerste graven van Holland. . . . 

11. De kruistochten 

12. Gevolgen der .kruistochten 

13. Willem II en Floris V. (Floris de Vijfde) . 

14. Het Henegouwsche huis. (Graaf Willem IV) 

15. Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. . . . 

16. Jacoba van Beieren 

17. Het Bourgondische huis. (Karel de Stoute) . 

18. Gelder, Utrecht en Friesland. (Adolf van Gelder, Jan 
van Schaffelaar) 

19. Filips de Schoone en Karel de Vijfde 

20. Filips de Tweede. (Lamoraal, graaf van Egmond) 

21. Alva in de Nederlanden. (Herman de Ruiter). . 

22. Algemeene opstand 

23. Pacificatie van Gent. — Unie van Utrecht. {Johan 
den Kornpuf) 

24. Afzwering van Filips 

25. Inrichting der Republiek .... 

26. De onoverwinnelijke vloot . . . 

27. Veroveringen van prins Maurits . 

28. De Oostindische Compagnie. (Jakob van Heemskerk) 



van 



i 4 4 



Bladz. 

29. Het Twaalf arig Bestand 74. 

30. Maurits' laatste regeeringsjaren. — De Westindische 
Compagnie. (Piet Hein) 76. 

31. Frederik Hendrik 77. 

32. De Munstersche vrede. (Rembrandt van Rijn. Joost 
van den Vondel) 8r. 

33. Willem II 84. 

34. Eerste Engelsche oorlog 86. 

35. Johan de Witt. — Noordsche oorlog 89. 

36. Tweede Engelsche oorlog. — Drievoudig verbond. . 90. 

37. De oorlog van 1672. (Johan en Corn. de Witt). . . 93. 

38. Het einde van den oorlog. (M. A. de Ruyter). . . 95. 

39. De negenjarige oorlog 97. 

40. Spaansche successie-oorlog 100. 

41. Oost en West (Antonius Hambroek) 102. 

42. Tweede stadhouderlooze regeering 105. 

43. Oostenrijksche successie-oorlog 109. 

44. Willem V. — Oorlog met Engeland 111. 

45. Ondergang der Republiek 114. 

46. De Bataafsche Republiek 117. 

47. Het Koninkrijk Holland 119. 

48. Onder Frankrijk 121. 

49. Verlossing 124. 

50. Koning Willem I 126. 

51. De laatste 60 jaren 130. 

52. Onze Regeering 134. 



Stamhuizen en Stadhouders 137. 

Geslachtstafel „Oranje-Nassau" en „Ons Koningshuis" . . 138. 

Tijdtafel 139. 

Toegift 142. 



r*k 



WM 



^frfi